BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 36l
Mijnreglement 1964
l ... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Een op of boven de bodem van de territoriale zee geplaatste mijnbouwinstallatie en een door Onze Minister aangewezen, andere mijnbouwinstallatie moeten zijn voorzien: a. van een of meer apparaten, waarmede geluidssignalen kunnen worden gegeven van zodanige sterkte, dat de veiligheid zoveel mogelijk is gewaarborgd, en welke zodanig zijn ingericht en geplaatst, dat ongeacht vanuit welke richting de installatie wordt genaderd, het geluidssignaal hoorbaar is; b. van een radarreflector, indien Onze Minister zulks verlangt. 2 Indien de meteorologische zichtbaarheid minder is dan 3,7 kilometer, moet met de apparaten, bedoeld in het eerste lid, onder a , een geluidssignaal worden gegeven, waarvan het karakter overeenkomt met dat van de Morse-letter U, met een periode van 30 seconden, verdeeld als volgt: signaal 3/4 seconde, stilte 1 seconde, signaal 3/4 seconde, stilte 1 seconde, signaal 2½ seconde, stilte 24 seconden. 3 Onze Minister kan ten aanzien van door hem aangewezen andere mijnbouwinstallaties als in het eerste lid bedoeld bepalen, dat: a. met de apparaten, bedoeld in het eerste lid, onder a , in plaats van een geluidssignaal als in het tweede lid bedoeld een door hem aangegeven geluidssignaal moet worden gegeven; b. een geluidssignaal slechts behoeft te worden gegeven, indien de meteorologische zichtbaarheid minder bedraagt dan een door hem aangegeven afstand. 4 Onze Minister kan nadere regelen stellen ten aanzien van de inrichting, sterkte en plaatsing van de apparaten, bedoeld in het eerste lid, onder a . 5 De in het eerste lid, onder a , bedoelde apparaten moeten zodanig worden gevoed en onderhouden, dat hun ononderbroken werking is gewaarborgd. 6 Onze Minister kan van het in het eerste lid, onder a , bepaalde ontheffing verlenen.