BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 36k
Mijnreglement 1964
k ... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Een op of boven de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36 a , tweede lid, onder a , bedoeld geplaatste mijnbouwinstallatie moet van zonsondergang tot zonsopkomst van de volgende lichten zijn voorzien: a. een of meer witte lichten van zodanige sterkte, dat de veiligheid zoveel mogelijk is gewaarborgd, en welke zodanig zijn ingericht en gaplaatst, dat ongeacht vanuit welke richting de installatie wordt genaderd, tenminste één licht zichtbaar is; deze lichten moeten synchroon branden en dienen een karakter te hebben, dat overeenkomt met dat van de Morse-letter U, met een periode van 15 seconden, verdeeld als volgt: helder ½ seconde, duister ½ seconde, helder ½ seconde, duister ½ seconde, helder 1½ seconde, duister 11½ seconde; b. indien de mijnbouwinstallatie een grootste horizontale afmeting heeft van meer dan 15 meter, op de uiteinden van de installatie vaste, rondom zichtbare, witte lichten van zodanige sterkte, dat de omtrek van die installatie op zodanige afstand kan worden waargenomen, dat het gevaar voor aanvaring zoveel mogelijk wordt voorkomen, tenzij de onder a bedoelde lichten op die uiteinden zijn geplaatst; c. indien de mijnbouwinstallatie een hoogte heeft van meer dan 30 meter boven gemiddeld hoog water, op het hoogste punt van de installatie een vast, rood licht van een sterkte van tenminste 10 candelas, dat zichtbaar is vanuit ieder punt boven de horizon, en indien de installatie hoger is dan 45 meter, bovendien halverwege tussen genoemd licht en het wateroppervlak een zodanig aantal vaste, rode lichten van dezelfde sterkte, dat vanuit ieder punt boven de horizon tenminste één daarvan zichtbaar is. 2 Een op of boven de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36 a , tweede lid, onder b , bedoeld geplaatste mijnbouwinstallatie moet van zonsondergang tot zonsopkomst zijn voorzien van door Onze Minister aan te geven lichten. 3 Onze Minister kan nadere regelen stellen ten aanzien van de inrichting, sterkte en plaatsing van de lichten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b , zomede ten aanzien van de inrichting van de lichten, bedoeld in het eerste lid onder c . 4 De in het eerste en tweede lid bedoelde lichten moeten zodanig zijn ingericht, worden gevoed en worden onderhouden, dat hun ononderbroken werking is gewaarborgd. 5 Onze Minister kan van het in het eerste en tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.