BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 36a
Mijnreglement 1964
a ... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Van het voornemen om een mijnbouwinstallatie op of boven de bodem van een oppervlaktewater te plaatsen moet tenminste twee weken voordat met de desbetreffende werkzaamheden wordt aangevangen schriftelijk mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen, onder opgave van: a. de ligging van de plaats, waar de mijnbouwinstallatie zal worden geplaatst, uitgedrukt in coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; b. de aard en de afmetingen van de mijnbouwinstallatie; c. de datum, waarop met de desbetreffende werkzaamheden zal worden aangevangen. 2 Van het voornemen om een mijnbouwinstallatie op of boven de bodem van een oppervlaktewater te plaatsen moet bovendien tenminste twee weken voordat met de desbetreffende werkzaamheden wordt aangevangen, onder opgave van de in het eerste lid bedoelde gegevens, schriftelijk mededeling worden gedaan: a. indien de installatie zal worden geplaatst op of boven de bodem van de territoriale zee of van een ander oppervlaktewater, ten aanzien waarvan Onze Minister van Defensie het oppertoezicht over de betonning en bebakening uitoefent, aan het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie en de Directeur-Generaal van Loodswezen, Betonning, Bebakening en Verlichting; b. indien de installatie zal worden geplaatst op of boven de bodem van een ander oppervlaktewater dan onder a bedoeld, aan de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat. 3 Van wijziging van de in het eerste lid bedoelde gegevens dient onverwijld schriftelijk mededeling te worden gedaan aan degenen, aan wie ingevolge het eerste en tweede lid mededeling is gedaan. 4 Zodra een mijnbouwinstallatie op of boven de bodem van een oppervlaktewater is geplaatst, moet met gebruikmaking van doelmatige apparatuur, door het verrichten van voldoende metingen of andere waarnemingen, een voldoend nauwkeurige plaatsbepaling van de installatie worden verricht. Het resultaat hiervan moet onverwijld schriftelijk worden medegedeeld aan degenen, aan wie ingevolge het eerste en tweede lid mededeling is gedaan. De mededeling aan het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie onderscheidenlijk aan de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat dient vergezeld te gaan van voldoende op de verrichte waarnemingen betrekking hebbende gegevens. 5 Het in artikel 134, eerste lid, ten aanzien van gegevens, die voor het vervaardigen van kaarten hebben gediend, bepaalde is van overeenkomstige toepassing op gegevens, welke verkregen zijn door waarnemingen als in het vierde lid bedoeld.