BWBR0002404
Geldig vanaf 1963-10-01
Artikel 26
Besluit uitoefening artsenijbereidkunst
1. Bij overdracht van hetgeen in een apotheek, waarin de artsenijbereidkunst niet meer wordt uitgeoefend, aanwezig is, is degene, die overdraagt, verplicht zorg te dragen, dat de overdracht van de geneesmiddelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet, alsmede van de vergiften, bedoeld in het Besluit vergiften in apotheken en ziekenhuizen 1973, alleen geschiedt aan de personen, genoemd in artikel 4, eerste lid, onder a, b en c, van de wet, met uitzondering van apothekers-assistenten.
2. De overdracht geschiedt niet dan na schriftelijke kennisgeving van het voornemen daartoe aan de inspecteur. De kennisgeving wordt de inspecteur ten minste vijf dagen voor de overdracht toegezonden.
3. De inspecteur is bevoegd een termijn te stellen, binnen welke de substanties, die in een apotheek, waarin de artsenijbereidkunst niet meer wordt uitgeoefend, al dan niet als geneesmiddel aanwezig waren, moeten zijn overgedragen, onverminderd zijn bevoegdheid, als bedoeld in artikel 39. Na afloop van de gestelde termijn beslist de inspecteur omtrent hetgeen met de bedoelde zelfstandigheden moet geschieden. De rechthebbende op deze zelfstandigheden is gehouden overeenkomstig de beslissing van de inspecteur te handelen.
2. De overdracht geschiedt niet dan na schriftelijke kennisgeving van het voornemen daartoe aan de inspecteur. De kennisgeving wordt de inspecteur ten minste vijf dagen voor de overdracht toegezonden.
3. De inspecteur is bevoegd een termijn te stellen, binnen welke de substanties, die in een apotheek, waarin de artsenijbereidkunst niet meer wordt uitgeoefend, al dan niet als geneesmiddel aanwezig waren, moeten zijn overgedragen, onverminderd zijn bevoegdheid, als bedoeld in artikel 39. Na afloop van de gestelde termijn beslist de inspecteur omtrent hetgeen met de bedoelde zelfstandigheden moet geschieden. De rechthebbende op deze zelfstandigheden is gehouden overeenkomstig de beslissing van de inspecteur te handelen.