BWBR0002404
Geldig vanaf 1963-10-01
Artikel 20
Besluit uitoefening artsenijbereidkunst
1. De apotheker is verplicht de uitkomsten van de onderzoekingen van door hem of in zijn opdracht onderzochte geneesmiddelen aan te tekenen in een uitsluitend daartoe bestemd register of kaartsysteem, dat in zijn apotheek aanwezig moet zijn.
2. De apotheker en de apotheekhoudende arts dragen zorg dat met betrekking tot de door hen of onder hun toezicht anders dan op recept bereide geneesmiddelen in een uitsluitend daartoe bestemd register of kaartsysteem, dat in hun apotheek aanwezig moet zijn, worden aangetekend:
a. de voor de bereiding gebruikte hoeveelheden werkzame bestanddelen en hulpstoffen;
b. het uit de hoeveelheden, onder a, bedoeld, verkregen aantal eenheden en een nummer ter kenmerking daarvan;
c. de wijze van bereiding.
3. In geval voor een in het tweede lid bedoelde bereiding een vergift, aangewezen ingevolge artikel 1, eerste lid, onder b, van het Besluit vergiften in apotheken en ziekenhuizen 1973( Stb.1973, 55), als bestanddeel wordt gebruikt, dragen de apotheker en de apotheekhoudende arts zorg dat:
a. de met de bereiding verband houdende berekeningen worden aangetekend in het in het tweede lid bedoelde register of kaartsysteem;
b. in geval de onder a bedoelde berekeningen door een apothekers-assistent zijn gemaakt, geen aanvang met de bereiding wordt gemaakt alvorens die berekeningen door hen zijn gecontroleerd en na akkoordbevinding door hen zijn geparafeerd;
c. in geval de afweging van een voor de bereiding benodigde hoeveelheid vergift wordt verricht door een apothekers-assistent, op die afweging door hen of door een daartoe door hen aangewezen andere apothekers-assistent controle wordt uitgeoefend en na akkoordbevinding door hen onderscheidenlijk de aangewezen apothekers-assistent in het register onderscheidenlijk kaartsysteem een paraaf wordt geplaatst onmiddellijk bij de berekende hoeveelheid vergift;
d. zij na beëindiging van de bereiding in het register onderscheidenlijk kaartsysteem bij het in het tweede lid, onder b, bedoelde nummer hun paraaf plaatsen.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing in geval voor een in het tweede lid bedoelde bereiding als uitgangsmassa een verwrijving of een verdunning van een in het derde lid, aanhef, bedoeld vergift wordt gebruikt.
5. De apotheker onderscheidenlijk de apotheekhoudende arts draagt zorg dat op het voorwerp of de voorwerpen, waarin het in het tweede lid, onder b, bedoelde aantal eenheden zich bevindt, het in dat onderdeel bedoelde nummer wordt vermeld.
6. Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven omtrent de in dit artikel genoemde verplichtingen.
2. De apotheker en de apotheekhoudende arts dragen zorg dat met betrekking tot de door hen of onder hun toezicht anders dan op recept bereide geneesmiddelen in een uitsluitend daartoe bestemd register of kaartsysteem, dat in hun apotheek aanwezig moet zijn, worden aangetekend:
a. de voor de bereiding gebruikte hoeveelheden werkzame bestanddelen en hulpstoffen;
b. het uit de hoeveelheden, onder a, bedoeld, verkregen aantal eenheden en een nummer ter kenmerking daarvan;
c. de wijze van bereiding.
3. In geval voor een in het tweede lid bedoelde bereiding een vergift, aangewezen ingevolge artikel 1, eerste lid, onder b, van het Besluit vergiften in apotheken en ziekenhuizen 1973( Stb.1973, 55), als bestanddeel wordt gebruikt, dragen de apotheker en de apotheekhoudende arts zorg dat:
a. de met de bereiding verband houdende berekeningen worden aangetekend in het in het tweede lid bedoelde register of kaartsysteem;
b. in geval de onder a bedoelde berekeningen door een apothekers-assistent zijn gemaakt, geen aanvang met de bereiding wordt gemaakt alvorens die berekeningen door hen zijn gecontroleerd en na akkoordbevinding door hen zijn geparafeerd;
c. in geval de afweging van een voor de bereiding benodigde hoeveelheid vergift wordt verricht door een apothekers-assistent, op die afweging door hen of door een daartoe door hen aangewezen andere apothekers-assistent controle wordt uitgeoefend en na akkoordbevinding door hen onderscheidenlijk de aangewezen apothekers-assistent in het register onderscheidenlijk kaartsysteem een paraaf wordt geplaatst onmiddellijk bij de berekende hoeveelheid vergift;
d. zij na beëindiging van de bereiding in het register onderscheidenlijk kaartsysteem bij het in het tweede lid, onder b, bedoelde nummer hun paraaf plaatsen.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing in geval voor een in het tweede lid bedoelde bereiding als uitgangsmassa een verwrijving of een verdunning van een in het derde lid, aanhef, bedoeld vergift wordt gebruikt.
5. De apotheker onderscheidenlijk de apotheekhoudende arts draagt zorg dat op het voorwerp of de voorwerpen, waarin het in het tweede lid, onder b, bedoelde aantal eenheden zich bevindt, het in dat onderdeel bedoelde nummer wordt vermeld.
6. Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven omtrent de in dit artikel genoemde verplichtingen.