BWBR0002326
Geldig vanaf 1959-10-01
Artikel 5
Rijkswachtgeldbesluit 1959
1. De betrokkene, bedoeld in artikel 2, eerste lid, de onderdelen <em>a</em>tot en met <em>i</em>, heeft recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de betrokkene:
a. ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
b. op dat moment recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
c. ter zake van dat ontslag recht heeft op een suppletie.
2. De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel <em>b</em>, heeft recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is vastgesteld dan 80%. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen van de datum van ontslag wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Ter bepaling van de duur van het wachtgeld wordt:
a. voor de toepassing van artikel 6 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van artikel 6, vierde lid, tevens een arbeidsongeschiktheidsuitkering, eventueel vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidspensioen vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt genomen;
b. voor de toepassing van artikel 6a als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan betrokkene ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
3. De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel <em>c</em>, heeft na afloop van de suppletie recht op wachtgeld, indien hij bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel <em>c</em>, op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard, recht zou hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld ingevolge artikel 6 <em>a</em>van dit besluit.
Het wachtgeld gaat in op de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van <a href="/wet/BWBR0007758/artikel/8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8, onderdeel a, van de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector rijk</a>is geëindigd.
Het wachtgeld eindigt op het tijdstip waarop het wachtgeld dat, te rekenen van de dag waarop het ontslag is ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge artikel 6 <em>a</em>, bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel <em>c</em>, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit wachtgeld is artikel 7 van toepassing, met dien verstande dat gerekend wordt van het tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.
4. Geen recht op wachtgeld heeft de betrokkene bedoeld:
a. in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, die andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende werkzaamheden heeft geweigerd te aanvaarden;
b. in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met f, aan wie schriftelijk is medegedeeld dat hem eervol ontslag zal worden verleend en die na die mededeling een hem aangeboden betrekking, welke mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te aanvaarden;
c. in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, indien Onze Minister, gehoord Onze Minister, hoofd van het daarbij betrokken departement van algemeen bestuur, van oordeel is dat het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten.
5. Het vierde lid is niet van toepassing indien de betrokkene op de dag van ingang van zijn ontslag de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.
6. Onze Minister beslist over de toekenning van wachtgeld op aanvraag door de betrokkene.
a. ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
b. op dat moment recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
c. ter zake van dat ontslag recht heeft op een suppletie.
2. De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel <em>b</em>, heeft recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is vastgesteld dan 80%. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen van de datum van ontslag wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Ter bepaling van de duur van het wachtgeld wordt:
a. voor de toepassing van artikel 6 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van artikel 6, vierde lid, tevens een arbeidsongeschiktheidsuitkering, eventueel vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidspensioen vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt genomen;
b. voor de toepassing van artikel 6a als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan betrokkene ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
3. De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel <em>c</em>, heeft na afloop van de suppletie recht op wachtgeld, indien hij bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel <em>c</em>, op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard, recht zou hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld ingevolge artikel 6 <em>a</em>van dit besluit.
Het wachtgeld gaat in op de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van <a href="/wet/BWBR0007758/artikel/8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8, onderdeel a, van de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector rijk</a>is geëindigd.
Het wachtgeld eindigt op het tijdstip waarop het wachtgeld dat, te rekenen van de dag waarop het ontslag is ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge artikel 6 <em>a</em>, bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel <em>c</em>, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit wachtgeld is artikel 7 van toepassing, met dien verstande dat gerekend wordt van het tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.
4. Geen recht op wachtgeld heeft de betrokkene bedoeld:
a. in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, die andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende werkzaamheden heeft geweigerd te aanvaarden;
b. in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met f, aan wie schriftelijk is medegedeeld dat hem eervol ontslag zal worden verleend en die na die mededeling een hem aangeboden betrekking, welke mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te aanvaarden;
c. in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, indien Onze Minister, gehoord Onze Minister, hoofd van het daarbij betrokken departement van algemeen bestuur, van oordeel is dat het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten.
5. Het vierde lid is niet van toepassing indien de betrokkene op de dag van ingang van zijn ontslag de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.
6. Onze Minister beslist over de toekenning van wachtgeld op aanvraag door de betrokkene.