BWBR0002326
Geldig vanaf 1959-10-01
Artikel 13
Rijkswachtgeldbesluit 1959
1. Het recht op wachtgeld eindigt:
a. met ingang van de dag waarop betrokkene de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bereikt,
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is overleden;
c. indien het recht op wachtgeld geheel wordt afgekocht;
e. op aanvraag van betrokkene.
2. Het recht op wachtgeld eindigt met ingang van de dag waarop betrokkene recht verkrijgt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 5, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit herleefde wachtgeld de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van artikel 6a, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.
3. Het recht op wachtgeld kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de betrokkene:
a. zich zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst gebleven, zou zijn ontslagen;
b. de gegevens, die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de vermindering van het wachtgeld niet, niet volledig, of onjuist verstrekt;
c. de in artikel 4a, eerste en tweede lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;
d. als ingeschrevene bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk werk te aanvaarden;
e. niet ernstig tracht werk te vinden.
4. Het recht op wachtgeld vervalt wanneer de daartoe strekkende aanvraag als bedoeld in artikel 5, zesde lid, niet binnen een termijn van vijf jaren na het ontstaan van dat recht bij Onze Minister is ingekomen.
a. met ingang van de dag waarop betrokkene de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bereikt,
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is overleden;
c. indien het recht op wachtgeld geheel wordt afgekocht;
e. op aanvraag van betrokkene.
2. Het recht op wachtgeld eindigt met ingang van de dag waarop betrokkene recht verkrijgt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 5, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit herleefde wachtgeld de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van artikel 6a, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.
3. Het recht op wachtgeld kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de betrokkene:
a. zich zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst gebleven, zou zijn ontslagen;
b. de gegevens, die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de vermindering van het wachtgeld niet, niet volledig, of onjuist verstrekt;
c. de in artikel 4a, eerste en tweede lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;
d. als ingeschrevene bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk werk te aanvaarden;
e. niet ernstig tracht werk te vinden.
4. Het recht op wachtgeld vervalt wanneer de daartoe strekkende aanvraag als bedoeld in artikel 5, zesde lid, niet binnen een termijn van vijf jaren na het ontstaan van dat recht bij Onze Minister is ingekomen.