BWBR0002246
Geldig vanaf 2004-09-09
Artikel 3j
Waterleidingwet
1. Het verbod in artikel 3i, aanhef en onderdeel a, geldt niet:
a. voor een bestaand waterleidingbedrijf waarover de zeggenschap uitsluitend wordt uitgeoefend door gekwalificeerde rechtspersonen;
b. voor degene die een inrichting drijft als bedoeld in de Wet milieubeheer: 1e. voor het produceren ten behoeve van verbruikers binnen die inrichting, alsmede ten behoeve van verbruikers in een dergelijke inrichting die eerder onderdeel uitmaakte van de eerstbedoelde inrichting;
2e. voor het produceren ten behoeve van verbruikers in een dergelijke inrichting, die voor het tijdstip van ingang van het in dit lid bedoelde verbod was aangesloten op de collectieve watervoorziening van de in de aanhef bedoelde inrichting.
1e. voor het produceren ten behoeve van verbruikers binnen die inrichting, alsmede ten behoeve van verbruikers in een dergelijke inrichting die eerder onderdeel uitmaakte van de eerstbedoelde inrichting;
2e. voor het produceren ten behoeve van verbruikers in een dergelijke inrichting, die voor het tijdstip van ingang van het in dit lid bedoelde verbod was aangesloten op de collectieve watervoorziening van de in de aanhef bedoelde inrichting.
2. Het verbod in artikel 3i, aanhef en onderdeel b, geldt niet:
a. voor een bestaand waterleidingbedrijf waarover de zeggenschap uitsluitend wordt uitgeoefend door gekwalificeerde rechtspersonen: in het bij ministeriële regeling per bedrijf vast te stellen distributiegebied.
b. voor degene die een inrichting drijft als bedoeld in de Wet milieubeheer: 1e. voor het leveren aan verbruikers binnen die inrichting, alsmede voor het leveren aan verbruikers in een dergelijke inrichting die eerder onderdeel uitmaakte van de eerstbedoelde inrichting;
2e. voor het leveren aan verbruikers in een dergelijke inrichting, die voor het tijdstip van ingang van het in dit lid bedoelde verbod was aangesloten op de collectieve watervoorziening van de in de aanhef bedoelde inrichting;
1e. voor het leveren aan verbruikers binnen die inrichting, alsmede voor het leveren aan verbruikers in een dergelijke inrichting die eerder onderdeel uitmaakte van de eerstbedoelde inrichting;
2e. voor het leveren aan verbruikers in een dergelijke inrichting, die voor het tijdstip van ingang van het in dit lid bedoelde verbod was aangesloten op de collectieve watervoorziening van de in de aanhef bedoelde inrichting;
c. voor de eigenaar van een collectief leidingnet.
3. Op een daartoe strekkende aanvraag kan Onze Minister aan de eigenaar van een collectieve watervoorziening ontheffing verlenen van de in artikel 3igestelde verboden, voor het produceren ten behoeve van en het leveren aan verbruikers in een of meerdere inrichtingen als bedoeld in de Wet milieubeheer, indien:
a. de aansluiting van die inrichting of inrichtingen op het leidingnet van een waterleidingbedrijf naar het oordeel van Onze Minister in strijd is met het belang van een doelmatige openbare drinkwatervoorziening, en
b. het belang van de volksgezondheid zich daartegen niet verzet.
4. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Onze Minister kan de voorschriften en beperkingen wijzigen.
5. Onze Minister kan de ontheffing intrekken, indien de houder van de ontheffing:
a. bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;
b. de aan de ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt;
c. niet langer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid.
6. Op de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in het derde of vijfde lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrechtvan toepassing.
a. voor een bestaand waterleidingbedrijf waarover de zeggenschap uitsluitend wordt uitgeoefend door gekwalificeerde rechtspersonen;
b. voor degene die een inrichting drijft als bedoeld in de Wet milieubeheer: 1e. voor het produceren ten behoeve van verbruikers binnen die inrichting, alsmede ten behoeve van verbruikers in een dergelijke inrichting die eerder onderdeel uitmaakte van de eerstbedoelde inrichting;
2e. voor het produceren ten behoeve van verbruikers in een dergelijke inrichting, die voor het tijdstip van ingang van het in dit lid bedoelde verbod was aangesloten op de collectieve watervoorziening van de in de aanhef bedoelde inrichting.
1e. voor het produceren ten behoeve van verbruikers binnen die inrichting, alsmede ten behoeve van verbruikers in een dergelijke inrichting die eerder onderdeel uitmaakte van de eerstbedoelde inrichting;
2e. voor het produceren ten behoeve van verbruikers in een dergelijke inrichting, die voor het tijdstip van ingang van het in dit lid bedoelde verbod was aangesloten op de collectieve watervoorziening van de in de aanhef bedoelde inrichting.
2. Het verbod in artikel 3i, aanhef en onderdeel b, geldt niet:
a. voor een bestaand waterleidingbedrijf waarover de zeggenschap uitsluitend wordt uitgeoefend door gekwalificeerde rechtspersonen: in het bij ministeriële regeling per bedrijf vast te stellen distributiegebied.
b. voor degene die een inrichting drijft als bedoeld in de Wet milieubeheer: 1e. voor het leveren aan verbruikers binnen die inrichting, alsmede voor het leveren aan verbruikers in een dergelijke inrichting die eerder onderdeel uitmaakte van de eerstbedoelde inrichting;
2e. voor het leveren aan verbruikers in een dergelijke inrichting, die voor het tijdstip van ingang van het in dit lid bedoelde verbod was aangesloten op de collectieve watervoorziening van de in de aanhef bedoelde inrichting;
1e. voor het leveren aan verbruikers binnen die inrichting, alsmede voor het leveren aan verbruikers in een dergelijke inrichting die eerder onderdeel uitmaakte van de eerstbedoelde inrichting;
2e. voor het leveren aan verbruikers in een dergelijke inrichting, die voor het tijdstip van ingang van het in dit lid bedoelde verbod was aangesloten op de collectieve watervoorziening van de in de aanhef bedoelde inrichting;
c. voor de eigenaar van een collectief leidingnet.
3. Op een daartoe strekkende aanvraag kan Onze Minister aan de eigenaar van een collectieve watervoorziening ontheffing verlenen van de in artikel 3igestelde verboden, voor het produceren ten behoeve van en het leveren aan verbruikers in een of meerdere inrichtingen als bedoeld in de Wet milieubeheer, indien:
a. de aansluiting van die inrichting of inrichtingen op het leidingnet van een waterleidingbedrijf naar het oordeel van Onze Minister in strijd is met het belang van een doelmatige openbare drinkwatervoorziening, en
b. het belang van de volksgezondheid zich daartegen niet verzet.
4. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Onze Minister kan de voorschriften en beperkingen wijzigen.
5. Onze Minister kan de ontheffing intrekken, indien de houder van de ontheffing:
a. bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;
b. de aan de ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt;
c. niet langer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid.
6. Op de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in het derde of vijfde lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrechtvan toepassing.