BWBR0002025
Geldig vanaf 01-01-1994
Artikel 3
Groevenreglement 1947
1. De aanvraag om vergunning moet inhouden:
a. naam, voornamen, woonplaats en beroep van den aanvrager;
b. een opgave van de kadastrale perceelen, waaronder de groeve zich uitstrekt of zal uitstrekken;
c. een omschrijving van de voorgenomen ontginningswijze of van het ander gebruik, dat van de groeve zal worden gemaakt.
2. Bij de aanvraag om vergunning moeten worden overgelegd:
a. een kaart in tweevoud op een schaal, ten genoegen van den Inspecteur-Generaal der Mijnen, van het terrein, waaronder de groeve zich uitstrekt of zal uitstrekken, met de naaste omgeving tot op een afstand van ten minste vijf en twintig meter in alle richtingen; op deze kaart moeten zijn aangegeven alle gebouwen, land-, spoor- en waterwegen, alsmede de plaats, waar met de werkzaamheden zal worden aangevangen en, indien de aanvraag op een bestaande groeve betrekking heeft, de ingang of ingangen en de aanwezige ondergrondsche uitgravingen; de ligging der op dit plan aangeduide groeve moet worden aangesloten aan het Nederlandsche Rijksdriehoeksnet;
b. een uittreksel uit de kadastrale leggers betreffende de perceelen, waaronder de groeve zich uitstrekt of zal uitstrekken.
3. Indien en voor zoover de aanvraag wordt gedaan door een ander dan den eigenaar van den grond, waaronder de groeve zich uitstrekt of zal uitstrekken, moet bij de aanvraag tevens worden overgelegd een verklaring van den eigenaar of van de eigenaren van den grond, blijkens welke zij den verzoeker voor den duur van tenminste vijftien jaren toestemming hebben verleend voor de ontginning of het gebruik van de in hun grond gelegen groeve, overeenkomstig het eerste lid, onder c.
a. naam, voornamen, woonplaats en beroep van den aanvrager;
b. een opgave van de kadastrale perceelen, waaronder de groeve zich uitstrekt of zal uitstrekken;
c. een omschrijving van de voorgenomen ontginningswijze of van het ander gebruik, dat van de groeve zal worden gemaakt.
2. Bij de aanvraag om vergunning moeten worden overgelegd:
a. een kaart in tweevoud op een schaal, ten genoegen van den Inspecteur-Generaal der Mijnen, van het terrein, waaronder de groeve zich uitstrekt of zal uitstrekken, met de naaste omgeving tot op een afstand van ten minste vijf en twintig meter in alle richtingen; op deze kaart moeten zijn aangegeven alle gebouwen, land-, spoor- en waterwegen, alsmede de plaats, waar met de werkzaamheden zal worden aangevangen en, indien de aanvraag op een bestaande groeve betrekking heeft, de ingang of ingangen en de aanwezige ondergrondsche uitgravingen; de ligging der op dit plan aangeduide groeve moet worden aangesloten aan het Nederlandsche Rijksdriehoeksnet;
b. een uittreksel uit de kadastrale leggers betreffende de perceelen, waaronder de groeve zich uitstrekt of zal uitstrekken.
3. Indien en voor zoover de aanvraag wordt gedaan door een ander dan den eigenaar van den grond, waaronder de groeve zich uitstrekt of zal uitstrekken, moet bij de aanvraag tevens worden overgelegd een verklaring van den eigenaar of van de eigenaren van den grond, blijkens welke zij den verzoeker voor den duur van tenminste vijftien jaren toestemming hebben verleend voor de ontginning of het gebruik van de in hun grond gelegen groeve, overeenkomstig het eerste lid, onder c.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002025
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl