BWBR0001870
Geldig vanaf 1999-02-17
Artikel 11
Mijnwet 1903
1. Overtreding van in artikel 9bedoelde voorschriften, nadere regelen of voorwaarden, voor zover niet bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c, of van artikel 5 der wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285) wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. Eveneens met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 7, eerste lid, voor zover niet artikel 7, vierde lid, toepassing heeft gevonden.
2. De strafbare feiten in dit artikel bedoeld worden beschouwd als overtredingen.
3. Met de opsporing van overtredingen van de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften en voorwaarden en van artikel 5 der wet van 21 april 1810 ( Bulletin des Loisno. 285) zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179tot en met 182en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. De strafbare feiten in dit artikel bedoeld worden beschouwd als overtredingen.
3. Met de opsporing van overtredingen van de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften en voorwaarden en van artikel 5 der wet van 21 april 1810 ( Bulletin des Loisno. 285) zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179tot en met 182en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.