BWBR0001870
Geldig vanaf 1999-02-17
Artikel 10
Mijnwet 1903
1. De paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrechtalsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheerzijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot vergunningen krachtens bij algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften die berusten of mede berusten op artikel 9, eerste lid, onder c, voor zover dat bij die maatregel is bepaald.
2. Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van voorschriften, die berusten op of mede berusten op artikel 9, eerste lid, onder c. Daarbij zijn de artikelen 18.7tot en met 18.11en 18.14tot en met 18.16 van de Wet milieubeheervan overeenkomstige toepassing.
3. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 9, eerste lid, onder c, wordt Ons gedaan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het ontwerp wordt overgelegd aan de Staten-Generaal en in de Staatscourantbekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze Minister te brengen. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de eerste volzin wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsbladwaarin hij is geplaatst.
2. Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van voorschriften, die berusten op of mede berusten op artikel 9, eerste lid, onder c. Daarbij zijn de artikelen 18.7tot en met 18.11en 18.14tot en met 18.16 van de Wet milieubeheervan overeenkomstige toepassing.
3. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 9, eerste lid, onder c, wordt Ons gedaan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het ontwerp wordt overgelegd aan de Staten-Generaal en in de Staatscourantbekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze Minister te brengen. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de eerste volzin wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsbladwaarin hij is geplaatst.