BWBV0002414
Artikel 32
Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien
1. Een gezien de omstandigheden redelijke vergoeding kan worden geëist van een derde die, tussen de datum van publikatie van een Europese octrooiaanvrage waarin de Verdragsluitende Staten zijn aangewezen en de datum van publikatie van de verlening van het Europese octrooi, de uitvinding heeft toegepast op een wijze die na deze periode verboden zou zijn op grond van het Gemeenschapsoctrooi.
2. Een Verdragsluitende Staat die niet als een officiële taal de procestaal heeft van de Europese octrooiaanvrage waarin de Verdragsluitende Staten zijn aangewezen, kan bepalen dat het in het eerste lid bedoelde recht voor de toepassing van de uitvinding op zijn grondgebied eerst dan uit die aanvrage voortvloeit, als de aanvrager, naar zijn keuze:
a. bij de bevoegde instantie van deze Staat een vertaling van de conclusies in een officiële taal van de bedoelde Staat heeft ingediend en deze vertaling is gepubliceerd overeenkomstig het recht van die Staat, of
b. deze vertaling heeft doen toekomen aan degene die in deze Staat de uitvinding waarvoor het Europese octrooi is aangevraagd, toepast.
3. Een in het tweede lid bedoelde Verdragsluitende Staat kan bepalen dat, indien de aanvrager gebruik maakt van de in het tweede lid, sub b), bedoelde mogelijkheid, het uit de aanvrage voortvloeiende recht ten aanzien van het gebruik van de uitvinding op het grondgebied van de betrokken Staat alleen kan worden ingeroepen indien de aanvrager de bevoegde instantie van die Staat een exemplaar van de vertaling toezendt binnen 15 dagen nadat deze toegezonden is aan degene die de uitvinding in die Staat gebruikt. De Verdragsluitende Staat kan bepalen dat de instantie de vertaling moet publiceren overeenkomstig het recht van die Staat.
4. Een Verdragsluitende Staat die krachtens het tweede lid een bepaling aanneemt, kan voorschrijven dat, wanneer de vertaling van de conclusies ondeugdelijk is, van een ieder die de uitvinding in die Staat heeft toegepast of daartoe daadwerkelijke en wezenlijke voorbereidingen heeft getroffen, welke toepassing in de oorspronkelijke vertaling van de conclusies geen inbreuk op de aanvrage vormt, overeenkomstig het eerste lid een redelijke vergoeding pas kan worden geist vanaf het tijdstip waarop de herziene vertaling van de conclusies is gepubliceerd of door hem is ontvangen, tenzij blijkt dat hij niet te goeder trouw heeft gehandeld, in welk geval van hem een redelijke vergoeding overeenkomstig het eerste lid pas kan worden geëist vanaf het tijdstip waarop aan de vereisten van het tweede lid is voldaan.
2. Een Verdragsluitende Staat die niet als een officiële taal de procestaal heeft van de Europese octrooiaanvrage waarin de Verdragsluitende Staten zijn aangewezen, kan bepalen dat het in het eerste lid bedoelde recht voor de toepassing van de uitvinding op zijn grondgebied eerst dan uit die aanvrage voortvloeit, als de aanvrager, naar zijn keuze:
a. bij de bevoegde instantie van deze Staat een vertaling van de conclusies in een officiële taal van de bedoelde Staat heeft ingediend en deze vertaling is gepubliceerd overeenkomstig het recht van die Staat, of
b. deze vertaling heeft doen toekomen aan degene die in deze Staat de uitvinding waarvoor het Europese octrooi is aangevraagd, toepast.
3. Een in het tweede lid bedoelde Verdragsluitende Staat kan bepalen dat, indien de aanvrager gebruik maakt van de in het tweede lid, sub b), bedoelde mogelijkheid, het uit de aanvrage voortvloeiende recht ten aanzien van het gebruik van de uitvinding op het grondgebied van de betrokken Staat alleen kan worden ingeroepen indien de aanvrager de bevoegde instantie van die Staat een exemplaar van de vertaling toezendt binnen 15 dagen nadat deze toegezonden is aan degene die de uitvinding in die Staat gebruikt. De Verdragsluitende Staat kan bepalen dat de instantie de vertaling moet publiceren overeenkomstig het recht van die Staat.
4. Een Verdragsluitende Staat die krachtens het tweede lid een bepaling aanneemt, kan voorschrijven dat, wanneer de vertaling van de conclusies ondeugdelijk is, van een ieder die de uitvinding in die Staat heeft toegepast of daartoe daadwerkelijke en wezenlijke voorbereidingen heeft getroffen, welke toepassing in de oorspronkelijke vertaling van de conclusies geen inbreuk op de aanvrage vormt, overeenkomstig het eerste lid een redelijke vergoeding pas kan worden geist vanaf het tijdstip waarop de herziene vertaling van de conclusies is gepubliceerd of door hem is ontvangen, tenzij blijkt dat hij niet te goeder trouw heeft gehandeld, in welk geval van hem een redelijke vergoeding overeenkomstig het eerste lid pas kan worden geëist vanaf het tijdstip waarop aan de vereisten van het tweede lid is voldaan.
- Citeren als
- Art. 32
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0002414
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl