BWBR0050428
Geldig vanaf 2024-11-19
Artikel 5
Regeling subsidie proeftuinen Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming
1. Om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van deze regeling voorziet de penvoerder van het regionaal verband de aanvraag voorts van voldoende onderbouwing dat dit verband in 2024 respectievelijk 2025 een proeftuin onderhoudt. De aanvraag wordt in ieder geval onderbouwd met schriftelijke informatie waaruit blijkt dat in 2024 respectievelijk 2025 in die proeftuin:
a. is gewerkt met lokale teams die voldoen aan de vereisten, bedoeld in artikel 6;
b. ervaring is opgedaan met het regionaal veiligheidsteam, waarbij wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 7;
c. ervaring is opgedaan door het regionaal veiligheidsteam met verschillende vormen van veiligheidsproblematiek binnen gezinnen en huishoudens blijkens de gegevens, bedoeld in artikel 8;
d. voortgang is geboekt in het opbouwen van een netwerk van specialisten met kennis over specifieke uitingsvormen van geweld.
2. De aanvraag gaat voorts vergezeld van een plan van aanpak voor de werkzaamheden van de proeftuin in 2025 respectievelijk 2026, waaruit in ieder geval blijkt:
a. op welke wijze de in artikel 2 genoemde activiteiten en werkwijzen worden beproefd en doorontwikkeld in 2025 respectievelijk 2026;
b. dat de ontwikkelde werkwijze in 2025 respectievelijk 2026 wordt beproefd in een afgebakend postcodegebied met minimaal 30.000 inwoners;
c. de gezinnen en huishoudens in het afgebakende postcodegebied bij ernstige onveiligheid en zonder voorafgaande casusselectie via het lokale team of via een melding worden doorgeleid naar het regionaal veiligheidsteam;
d. welke activiteiten worden ondernomen om samenhang, het overzicht en de eenvoud te bevorderen met voor de doelgroep relevante samenwerkingsverbanden;
e. welke activiteiten worden ondernomen rond de ontwikkeling van de meld- en crisisfunctie van het regionaal veiligheidsteam in samenhang met bestaande en in 2025 respectievelijk 2026 door te ontwikkelen afspraken met de politie, het openbaar ministerie, de reclassering, de geestelijke gezondheidszorg, de openbare geestelijke gezondheidszorg (bemoeizorg) en jeugdhulpspecialisten;
f. op welke wijze en voor welke activiteiten de aangevraagde middelen worden ingezet.
a. is gewerkt met lokale teams die voldoen aan de vereisten, bedoeld in artikel 6;
b. ervaring is opgedaan met het regionaal veiligheidsteam, waarbij wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 7;
c. ervaring is opgedaan door het regionaal veiligheidsteam met verschillende vormen van veiligheidsproblematiek binnen gezinnen en huishoudens blijkens de gegevens, bedoeld in artikel 8;
d. voortgang is geboekt in het opbouwen van een netwerk van specialisten met kennis over specifieke uitingsvormen van geweld.
2. De aanvraag gaat voorts vergezeld van een plan van aanpak voor de werkzaamheden van de proeftuin in 2025 respectievelijk 2026, waaruit in ieder geval blijkt:
a. op welke wijze de in artikel 2 genoemde activiteiten en werkwijzen worden beproefd en doorontwikkeld in 2025 respectievelijk 2026;
b. dat de ontwikkelde werkwijze in 2025 respectievelijk 2026 wordt beproefd in een afgebakend postcodegebied met minimaal 30.000 inwoners;
c. de gezinnen en huishoudens in het afgebakende postcodegebied bij ernstige onveiligheid en zonder voorafgaande casusselectie via het lokale team of via een melding worden doorgeleid naar het regionaal veiligheidsteam;
d. welke activiteiten worden ondernomen om samenhang, het overzicht en de eenvoud te bevorderen met voor de doelgroep relevante samenwerkingsverbanden;
e. welke activiteiten worden ondernomen rond de ontwikkeling van de meld- en crisisfunctie van het regionaal veiligheidsteam in samenhang met bestaande en in 2025 respectievelijk 2026 door te ontwikkelen afspraken met de politie, het openbaar ministerie, de reclassering, de geestelijke gezondheidszorg, de openbare geestelijke gezondheidszorg (bemoeizorg) en jeugdhulpspecialisten;
f. op welke wijze en voor welke activiteiten de aangevraagde middelen worden ingezet.