BWBR0050217
Geldig vanaf 2025-03-05
Artikel 3
Instellingsbesluit adviescommissie techniek- en technologieonderwijs in het funderend onderwijs
1. De adviescommissie heeft met betrekking tot de regeling STOtot taak:
a. het beoordelen van de ingediende activiteitenplannen als bedoeld in artikel 1.10, eerste lid, onderdeel a en artikel 1.11, eerste lid, onderdeel b van de regeling STO aan de hand van het beoordelingskader dat is opgenomen als Bijlage 2 bij de regeling STO, en het adviseren van de minister hierover;
b. het adviseren van de minister over de ingediende activiteitenplannen, en dat advies te voorzien van een draagkrachtige motivering; en
c. het adviseren van de minister over de structurele inzet van de investeringsmiddelen voor techniekonderwijs in het vmbo van € 100 min. per jaar vanaf 2029;
d. het op verzoek van de minister adviseren van de penvoerder over de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 1.11 van de regeling STO, met uitzondering van de uitwerking van de activiteiten bedoeld in artikel 1.11 eerste lid, onderdeel b;
e. het op verzoek van de minister adviseren van de penvoerder over het eindverslag over de periode 2020 tot en met 2024, zoals bedoeld in artikel 1.12, tweede lid, van de Subsidieregeling sterk techniekonderwijs 2020–2024;
f. het op verzoek van de minister reflecteren op de tussenrapportages en de eindevaluatie van het onderzoeksconsortium dat de regionale planvorming en de uitvoering van die plannen monitort en evalueert;
g. het desgevraagd adviseren van de penvoerder over de uitvoering van de regeling STO, zolang dit niet binnen 10 weken voor of na een beoordelingsmoment valt.
2. Voor de taken, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, adviseert de adviescommissie de minister binnen 10 weken na afloop van de indienperiode als bedoeld in artikel 1.10, eerste lid, onderdeel aen artikel 1.11, eerste lid van de regeling STO.
a. het beoordelen van de ingediende activiteitenplannen als bedoeld in artikel 1.10, eerste lid, onderdeel a en artikel 1.11, eerste lid, onderdeel b van de regeling STO aan de hand van het beoordelingskader dat is opgenomen als Bijlage 2 bij de regeling STO, en het adviseren van de minister hierover;
b. het adviseren van de minister over de ingediende activiteitenplannen, en dat advies te voorzien van een draagkrachtige motivering; en
c. het adviseren van de minister over de structurele inzet van de investeringsmiddelen voor techniekonderwijs in het vmbo van € 100 min. per jaar vanaf 2029;
d. het op verzoek van de minister adviseren van de penvoerder over de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 1.11 van de regeling STO, met uitzondering van de uitwerking van de activiteiten bedoeld in artikel 1.11 eerste lid, onderdeel b;
e. het op verzoek van de minister adviseren van de penvoerder over het eindverslag over de periode 2020 tot en met 2024, zoals bedoeld in artikel 1.12, tweede lid, van de Subsidieregeling sterk techniekonderwijs 2020–2024;
f. het op verzoek van de minister reflecteren op de tussenrapportages en de eindevaluatie van het onderzoeksconsortium dat de regionale planvorming en de uitvoering van die plannen monitort en evalueert;
g. het desgevraagd adviseren van de penvoerder over de uitvoering van de regeling STO, zolang dit niet binnen 10 weken voor of na een beoordelingsmoment valt.
2. Voor de taken, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, adviseert de adviescommissie de minister binnen 10 weken na afloop van de indienperiode als bedoeld in artikel 1.10, eerste lid, onderdeel aen artikel 1.11, eerste lid van de regeling STO.