BWBR0049520
Geldig vanaf 2024-04-03
Artikel 1.11
Subsidieregeling sterk techniekonderwijs 2025–2028
1. De penvoerder zendt uiterlijk 1 oktober 2026 een voortgangsrapportage over de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 juli 2026 aan de minister. Deze voortgangsrapportage omvat ten minste:
a. een overzicht van de tot dan toe bestede middelen;
b. een uitwerking van de activiteiten die in de periode 1 januari 2027 tot en met 31 december 2028 worden verricht, inclusief een uitgewerkte begroting als bedoeld in artikel 1.12, zesde lid, en een beschrijving van de wijze waarop de relevante lessen die zijn getrokken uit de periode 1 januari 2025 tot en met 31 december 2026 worden verwerkt in de uitwerking van de activiteiten;
c. de voortgang ten aanzien van de geplande activiteiten in de periode 1 januari 2025 tot en met 31 juli 2026;
d. een uitgewerkte begroting over de periode 1 januari 2025 tot en met 31 juli 2026 als bedoeld in artikel 1.12, zesde lid; en
e. de bereikte mijlpalen en de gerealiseerde doelen over die betreffende periode.
2. De penvoerder zendt uiterlijk 1 oktober 2028 een voortgangsrapportage over de periode 1 augustus 2026 tot en met 31 juli 2028 aan de minister. Deze voortgangsrapportage omvat ten minste:
a. een overzicht van de tot dan toe bestede middelen;
b. de voortgang ten aanzien van de geplande activiteiten in de periode 1 oktober 2026 tot en met 31 juli 2028;
c. een uitgewerkte begroting over de periode 1 oktober 2026 tot en met 31 juli 2028 als bedoeld in artikel 1.12, zesde lid; en
d. de bereikte mijlpalen en de gerealiseerde doelen over die betreffende periode.
3. De minister kan een formulier vaststellen ten behoeve van de voortgangsrapportages.
a. een overzicht van de tot dan toe bestede middelen;
b. een uitwerking van de activiteiten die in de periode 1 januari 2027 tot en met 31 december 2028 worden verricht, inclusief een uitgewerkte begroting als bedoeld in artikel 1.12, zesde lid, en een beschrijving van de wijze waarop de relevante lessen die zijn getrokken uit de periode 1 januari 2025 tot en met 31 december 2026 worden verwerkt in de uitwerking van de activiteiten;
c. de voortgang ten aanzien van de geplande activiteiten in de periode 1 januari 2025 tot en met 31 juli 2026;
d. een uitgewerkte begroting over de periode 1 januari 2025 tot en met 31 juli 2026 als bedoeld in artikel 1.12, zesde lid; en
e. de bereikte mijlpalen en de gerealiseerde doelen over die betreffende periode.
2. De penvoerder zendt uiterlijk 1 oktober 2028 een voortgangsrapportage over de periode 1 augustus 2026 tot en met 31 juli 2028 aan de minister. Deze voortgangsrapportage omvat ten minste:
a. een overzicht van de tot dan toe bestede middelen;
b. de voortgang ten aanzien van de geplande activiteiten in de periode 1 oktober 2026 tot en met 31 juli 2028;
c. een uitgewerkte begroting over de periode 1 oktober 2026 tot en met 31 juli 2028 als bedoeld in artikel 1.12, zesde lid; en
d. de bereikte mijlpalen en de gerealiseerde doelen over die betreffende periode.
3. De minister kan een formulier vaststellen ten behoeve van de voortgangsrapportages.