BWBR0049701
Geldig vanaf 2024-05-15
Artikel 12
Regeling beheer onroerende zaken Rijk 2024
1. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kan beslissen medewerking te verlenen aan een ruiling als er slechts één serieuze gegadigde is. In dat geval draagt hij zorg voor een tijdige aankondiging van de voorgenomen vervreemding zonder openbare aanbieding van de onroerende zaak van de Staat in het kader van die ruiling, door publicatie op www.biedboek.nlmet vermelding van de criteria op basis waarvan wordt vastgesteld dat er slechts een serieuze gegadigde bestaat.
2. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kan alleen medewerking verlenen aan een ruiling indien:
a. een minister de te verwerven onroerende zaak verwerft met het oog op de uitvoering van het beleid en de bedrijfsvoering die aan zijn begroting ten grondslag liggen;
b. er sprake is van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder a, of als de onroerende zaak van de Staat overtollig is gesteld overeenkomstig artikel 6 en er geen sprake is van herbestemming van de onroerende zaak overeenkomstig artikel 8; en
c. de te ruilen onroerende zaken naar het oordeel van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening een gelijke marktwaarde hebben of, voor zover dit niet het geval is, het verschil aan de ander wordt vergoed.
3. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kan beslissen medewerking te verlenen aan ruiling van gronden als bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder b, op verzoek van de minister die de gronden aanhoudt om het beleid dat aan zijn begroting ten grondslag ligt uit te voeren. Het eerste lid en het tweede lid, aanhef en onder a en c, zijn van toepassing.
4. Artikel 10, vijfde lid, is van toepassing.
2. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kan alleen medewerking verlenen aan een ruiling indien:
a. een minister de te verwerven onroerende zaak verwerft met het oog op de uitvoering van het beleid en de bedrijfsvoering die aan zijn begroting ten grondslag liggen;
b. er sprake is van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder a, of als de onroerende zaak van de Staat overtollig is gesteld overeenkomstig artikel 6 en er geen sprake is van herbestemming van de onroerende zaak overeenkomstig artikel 8; en
c. de te ruilen onroerende zaken naar het oordeel van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening een gelijke marktwaarde hebben of, voor zover dit niet het geval is, het verschil aan de ander wordt vergoed.
3. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kan beslissen medewerking te verlenen aan ruiling van gronden als bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder b, op verzoek van de minister die de gronden aanhoudt om het beleid dat aan zijn begroting ten grondslag ligt uit te voeren. Het eerste lid en het tweede lid, aanhef en onder a en c, zijn van toepassing.
4. Artikel 10, vijfde lid, is van toepassing.