BWBR0049400
Geldig vanaf 2024-11-18
Artikel 9
Tijdelijke regeling specifieke uitkering mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw
1. De ontvanger realiseert de mobiliteitsmaatregel of mobiliteitsmaatregelen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.
2. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de mobiliteitsmaatregelen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.
3. De ontvanger start de realisatie van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie uiterlijk 31 december 2030.
4. De ontvanger rondt de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen bij de woningbouwlocatie af uiterlijk 31 december 2035.
5. Op het moment dat de woningen op de woningbouwlocatie zijn gerealiseerd bedraagt het aantal op de woningbouwlocatie gerealiseerde betaalbare woningen ten minste 50% van het totaal van de op de woningbouwlocatie gerealiseerde woningen.
6. De ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:
a. de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen bij de woningbouwlocatie niet, niet tijdig, of niet geheel zal worden afgerond;
b. de realisatie van de woningen of van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie niet, niet tijdig of niet geheel zal worden gestart;
c. het in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering genoemde totaal aantal te realiseren woningen of het genoemde aantal te realiseren betaalbare woningen op de woningbouwlocatie niet of niet geheel zal worden gerealiseerd;
d. niet aan andere bij deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen wordt voldaan.
7. De ontvanger verstrekt, onverminderd het zesde lid, jaarlijks uiterlijk op 1 juli beleidsinformatie over de beheersing van de risico’s en de voortgang van de voorbereidingen en de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen waarvoor een specifieke uitkering is verleend alsmede van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie.
8. De ontvanger verleent op verzoek van de minister alle gevraagde medewerking aan een evaluatieonderzoek als bedoeld in artikel 14.
9. De minister kan nadere voorschriften aan de specifieke uitkering verbinden, waarbij in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het vijfde lid.
2. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de mobiliteitsmaatregelen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.
3. De ontvanger start de realisatie van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie uiterlijk 31 december 2030.
4. De ontvanger rondt de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen bij de woningbouwlocatie af uiterlijk 31 december 2035.
5. Op het moment dat de woningen op de woningbouwlocatie zijn gerealiseerd bedraagt het aantal op de woningbouwlocatie gerealiseerde betaalbare woningen ten minste 50% van het totaal van de op de woningbouwlocatie gerealiseerde woningen.
6. De ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:
a. de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen bij de woningbouwlocatie niet, niet tijdig, of niet geheel zal worden afgerond;
b. de realisatie van de woningen of van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie niet, niet tijdig of niet geheel zal worden gestart;
c. het in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering genoemde totaal aantal te realiseren woningen of het genoemde aantal te realiseren betaalbare woningen op de woningbouwlocatie niet of niet geheel zal worden gerealiseerd;
d. niet aan andere bij deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen wordt voldaan.
7. De ontvanger verstrekt, onverminderd het zesde lid, jaarlijks uiterlijk op 1 juli beleidsinformatie over de beheersing van de risico’s en de voortgang van de voorbereidingen en de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen waarvoor een specifieke uitkering is verleend alsmede van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie.
8. De ontvanger verleent op verzoek van de minister alle gevraagde medewerking aan een evaluatieonderzoek als bedoeld in artikel 14.
9. De minister kan nadere voorschriften aan de specifieke uitkering verbinden, waarbij in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het vijfde lid.