BWBR0049052
Geldig vanaf 2023-12-16
Artikel 5
Subsidieregeling brugfunctionaris
1. Het voor subsidiebedrag bedraagt:
a. in het primair onderwijs, met uitzondering van het speciaal basisonderwijs € 120.000,– per vestiging;
b. in het voortgezet onderwijs € 360.000,– per school;
c. in het speciaal onderwijs, en voortgezet speciaal onderwijs € 120.000,– per vestiging; en
d. in het speciaal basisonderwijs € 120.000,– per vestiging.
2. Indien het aantal aanvragen groter is dan het beschikbare bedrag voor een sector als bedoeld in artikel 4, worden de aanvragen per subsidieplafond als bedoeld in artikel 4, op de volgende wijze gerangschikt van hoog naar laag, waarbij de hoogste score voorrang krijgt boven de laagste score:
a. in het primair onderwijs wordt gekeken naar de in bijlage 1 opgenomen achterstandsscores zonder drempel van de basisscholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs. Deze achterstandsscores worden gedeeld door het aantal leerlingen dat op 1 februari 2023 is ingeschreven op de vestiging zoals opgenomen in bijlage 1;
b. in het voortgezet onderwijs wordt gekeken naar de in bijlage 2 opgenomen achterstandsscores zonder drempel van scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020. Daarna worden deze achterstandsscores gedeeld door het aantal leerlingen dat per school was ingeschreven op 1 oktober 2021, zoals opgenomen in bijlage 2.
c. in het speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra wordt gekeken naar het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC 2022 van vestigingen op de teldatum van 1 februari 2023 zoals op 1 oktober 2023 bij de Dienst Uitvoering Onderwijs bekend. Indien een fusie heeft plaatsgevonden na 1 februari 2023, wordt het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond van de gefuseerde vestiging berekend met de som van de aantallen van de vestigingen die zijn gefuseerd;
d. in het speciaal basisonderwijs bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs wordt gekeken naar het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022 van vestigingen op de teldatum van 1 februari 2023 zoals op 1 oktober 2023 bij de Dienst Uitvoering Onderwijs bekend. Indien een fusie heeft plaatsgevonden na 1 februari 2023, wordt het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond van de gefuseerde vestiging berekend met de som van de aantallen van de vestigingen die zijn gefuseerd.
3. Indien niet genoeg middelen resteren om aanvragen met een gelijke rangschikking als bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid, te honoreren, dan wordt binnen de groep van de aanvragen met een gelijke rangschikking geloot.
4. Indien na het verstrekken van subsidie op alle in aanmerking komende aanvragen, binnen een subsidieplafond als bedoeld in artikel 4, nog middelen resteren, worden deze middelen toegevoegd aan de aan de andere subsidieplafonds als bedoeld in artikel 4, naar rato van de hoogte van deze andere subsidieplafonds.
a. in het primair onderwijs, met uitzondering van het speciaal basisonderwijs € 120.000,– per vestiging;
b. in het voortgezet onderwijs € 360.000,– per school;
c. in het speciaal onderwijs, en voortgezet speciaal onderwijs € 120.000,– per vestiging; en
d. in het speciaal basisonderwijs € 120.000,– per vestiging.
2. Indien het aantal aanvragen groter is dan het beschikbare bedrag voor een sector als bedoeld in artikel 4, worden de aanvragen per subsidieplafond als bedoeld in artikel 4, op de volgende wijze gerangschikt van hoog naar laag, waarbij de hoogste score voorrang krijgt boven de laagste score:
a. in het primair onderwijs wordt gekeken naar de in bijlage 1 opgenomen achterstandsscores zonder drempel van de basisscholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs. Deze achterstandsscores worden gedeeld door het aantal leerlingen dat op 1 februari 2023 is ingeschreven op de vestiging zoals opgenomen in bijlage 1;
b. in het voortgezet onderwijs wordt gekeken naar de in bijlage 2 opgenomen achterstandsscores zonder drempel van scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020. Daarna worden deze achterstandsscores gedeeld door het aantal leerlingen dat per school was ingeschreven op 1 oktober 2021, zoals opgenomen in bijlage 2.
c. in het speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra wordt gekeken naar het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC 2022 van vestigingen op de teldatum van 1 februari 2023 zoals op 1 oktober 2023 bij de Dienst Uitvoering Onderwijs bekend. Indien een fusie heeft plaatsgevonden na 1 februari 2023, wordt het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond van de gefuseerde vestiging berekend met de som van de aantallen van de vestigingen die zijn gefuseerd;
d. in het speciaal basisonderwijs bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs wordt gekeken naar het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022 van vestigingen op de teldatum van 1 februari 2023 zoals op 1 oktober 2023 bij de Dienst Uitvoering Onderwijs bekend. Indien een fusie heeft plaatsgevonden na 1 februari 2023, wordt het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond van de gefuseerde vestiging berekend met de som van de aantallen van de vestigingen die zijn gefuseerd.
3. Indien niet genoeg middelen resteren om aanvragen met een gelijke rangschikking als bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid, te honoreren, dan wordt binnen de groep van de aanvragen met een gelijke rangschikking geloot.
4. Indien na het verstrekken van subsidie op alle in aanmerking komende aanvragen, binnen een subsidieplafond als bedoeld in artikel 4, nog middelen resteren, worden deze middelen toegevoegd aan de aan de andere subsidieplafonds als bedoeld in artikel 4, naar rato van de hoogte van deze andere subsidieplafonds.