BWBR0048724
Geldig vanaf 2024-11-18
Artikel 13
Regeling specifieke uitkering woningbouw op korte termijn door bovenplanse infrastructuur
1. De minister stelt de specifieke uitkering ambtshalve vast uiterlijk 31 december van het jaar waarop de laatste verantwoording overeenkomstig artikel 12heeft plaatsgevonden.
2. De minister kan de specifieke uitkering ambtshalve vaststellen indien uit de verantwoording, bedoeld in artikel 12, blijkt dat de ontvanger niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 9, derde tot en met zesde en tiende lid, of artikel 11, derde lid. Een ambtshalve vaststelling kan zien op het bedrag van de specifieke uitkering per infrastructurele voorziening.
3. Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval:
a. het bedrag van de vastgestelde specifieke uitkering;
b. het uitgekeerde voorschot;
c. indien van toepassing het terug te vorderen bedrag.
4. In geval van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, vermeldt het besluit op welke infrastructurele voorziening de vaststelling ziet.
5. De specifieke uitkering kan lager worden vastgesteld dan het bedrag dat bij verlening is vastgesteld, indien de ontvanger niet heeft voldaan aan de bij of krachtens deze regeling gestelde verplichtingen.
6. Indien uit de verantwoording blijkt dat het resterend tekort per woningbouwlocatie lager is dan het voorziene resterend tekort, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel f, dan wordt het bedrag van de specifieke uitkering niet hoger vastgesteld dan het percentage, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel g, van het resterend tekort.
2. De minister kan de specifieke uitkering ambtshalve vaststellen indien uit de verantwoording, bedoeld in artikel 12, blijkt dat de ontvanger niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 9, derde tot en met zesde en tiende lid, of artikel 11, derde lid. Een ambtshalve vaststelling kan zien op het bedrag van de specifieke uitkering per infrastructurele voorziening.
3. Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval:
a. het bedrag van de vastgestelde specifieke uitkering;
b. het uitgekeerde voorschot;
c. indien van toepassing het terug te vorderen bedrag.
4. In geval van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, vermeldt het besluit op welke infrastructurele voorziening de vaststelling ziet.
5. De specifieke uitkering kan lager worden vastgesteld dan het bedrag dat bij verlening is vastgesteld, indien de ontvanger niet heeft voldaan aan de bij of krachtens deze regeling gestelde verplichtingen.
6. Indien uit de verantwoording blijkt dat het resterend tekort per woningbouwlocatie lager is dan het voorziene resterend tekort, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel f, dan wordt het bedrag van de specifieke uitkering niet hoger vastgesteld dan het percentage, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel g, van het resterend tekort.