BWBR0048724
Geldig vanaf 2024-11-18
Artikel 11
Regeling specifieke uitkering woningbouw op korte termijn door bovenplanse infrastructuur
1. Op aanvraag van een gemeente aan wie een specifieke uitkering is verleend, kan de minister het besluit tot verlening van de specifieke uitkering wijzigen.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op:
a. een situatie als bedoeld in artikel 9, zevende lid; of
b. een wijziging van een infrastructurele voorziening waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt.
3. In geval van een situatie als bedoeld in artikel 9, zevende lid, kan de minister, mits er sprake is van bijzondere omstandigheden, bij een besluit tot wijziging van het besluit tot verlening van een specifieke uitkering bepalen dat de realisatie van de woningen op de betreffende woningbouwlocatie of de realisatie van de infrastructurele voorzieningen uiterlijk wordt gestart of afgerond op een ander moment dan genoemd in artikel 9, derde tot en met vijfde lid.
4. Een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan afwijken van een infrastructurele voorziening, genoemd in de bijlage, mits dezelfde woningbouwlocatie wordt ontsloten en de infrastructurele voorziening ziet op dezelfde vervoersmodaliteit als waarvoor eerder de specifieke uitkering is verleend. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, kan uiterlijk worden ingediend tot de start van de realisatie van de infrastructurele voorziening waarop het oorspronkelijke besluit ziet.
5. Het bedrag van een gewijzigde specifieke uitkering is niet hoger dan het bedrag van de oorspronkelijke specifiek uitkering.
6. Het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie is in het gewijzigde besluit niet hoger dan in het oorspronkelijke besluit.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op:
a. een situatie als bedoeld in artikel 9, zevende lid; of
b. een wijziging van een infrastructurele voorziening waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt.
3. In geval van een situatie als bedoeld in artikel 9, zevende lid, kan de minister, mits er sprake is van bijzondere omstandigheden, bij een besluit tot wijziging van het besluit tot verlening van een specifieke uitkering bepalen dat de realisatie van de woningen op de betreffende woningbouwlocatie of de realisatie van de infrastructurele voorzieningen uiterlijk wordt gestart of afgerond op een ander moment dan genoemd in artikel 9, derde tot en met vijfde lid.
4. Een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan afwijken van een infrastructurele voorziening, genoemd in de bijlage, mits dezelfde woningbouwlocatie wordt ontsloten en de infrastructurele voorziening ziet op dezelfde vervoersmodaliteit als waarvoor eerder de specifieke uitkering is verleend. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, kan uiterlijk worden ingediend tot de start van de realisatie van de infrastructurele voorziening waarop het oorspronkelijke besluit ziet.
5. Het bedrag van een gewijzigde specifieke uitkering is niet hoger dan het bedrag van de oorspronkelijke specifiek uitkering.
6. Het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie is in het gewijzigde besluit niet hoger dan in het oorspronkelijke besluit.