BWBR0048658
Geldig vanaf 2023-09-29
Artikel 3
Regeling gevelisolatie Schiphol 2023
1. Tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende maatregelen wordt niet overgegaan voordat de uitwendige scheidingsconstructie, binnen een door de minister gestelde redelijke termijn, door en op kosten van de eigenaar van de woning in overeenstemming is gebracht met de onder a, bedoelde geluidweringsvoorschriften, indien uit het in artikel 8bedoelde onderzoek blijkt dat:
a. de waarde van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van de geluidgevoelige ruimten van een woning, bedoeld in artikel 2, eerste lid, meer dan 2 dB lager is dan de waarde die bereikt had moeten worden op grond van de geluidweringsvoorschriften ingevolge het Besluit geluidwering gebouwen of het Bouwbesluit, en
b. de geluidbelasting tenminste 0,5 dB hoger is dan op de datum waarop de vergunning voor het bouwen krachtens welke de woning is gebouwd, is verleend.
2. Indien het eerste lid van toepassing is, vinden de werkzaamheden tot het in overeenstemming brengen met de geluidweringsvoorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder a, en het van rijkswege aanbrengen van de geluidwerende maatregelen gelijktijdig plaats, indien de eigenaar daarom verzoekt.
3. Indien uit het in artikel 8bedoelde onderzoek blijkt dat:
a. de eigenaar van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde woningen is aangeschreven tot het op zijn kosten treffen van maatregelen als bedoeld in hoofdstuk III van de Besluit bouwwerken leefomgeving, en;
b. die maatregelen verband houden met het kunnen aanbrengen van geluidwerende maatregelen krachtens deze regeling, en;
c. die maatregelen nog niet zijn aangebracht,
wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende maatregelen overgegaan, tenzij burgemeester en wethouders op verzoek van de eigenaar ermee hebben ingestemd dat het treffen van de onder a bedoelde maatregelen en het aanbrengen van de geluidwerende maatregelen gelijktijdig plaatsvindt.
a. de waarde van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van de geluidgevoelige ruimten van een woning, bedoeld in artikel 2, eerste lid, meer dan 2 dB lager is dan de waarde die bereikt had moeten worden op grond van de geluidweringsvoorschriften ingevolge het Besluit geluidwering gebouwen of het Bouwbesluit, en
b. de geluidbelasting tenminste 0,5 dB hoger is dan op de datum waarop de vergunning voor het bouwen krachtens welke de woning is gebouwd, is verleend.
2. Indien het eerste lid van toepassing is, vinden de werkzaamheden tot het in overeenstemming brengen met de geluidweringsvoorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder a, en het van rijkswege aanbrengen van de geluidwerende maatregelen gelijktijdig plaats, indien de eigenaar daarom verzoekt.
3. Indien uit het in artikel 8bedoelde onderzoek blijkt dat:
a. de eigenaar van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde woningen is aangeschreven tot het op zijn kosten treffen van maatregelen als bedoeld in hoofdstuk III van de Besluit bouwwerken leefomgeving, en;
b. die maatregelen verband houden met het kunnen aanbrengen van geluidwerende maatregelen krachtens deze regeling, en;
c. die maatregelen nog niet zijn aangebracht,
wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende maatregelen overgegaan, tenzij burgemeester en wethouders op verzoek van de eigenaar ermee hebben ingestemd dat het treffen van de onder a bedoelde maatregelen en het aanbrengen van de geluidwerende maatregelen gelijktijdig plaatsvindt.