BWBR0048360
Geldig vanaf 2024-02-13
Artikel 9
Subsidieregeling School en Omgeving 2023–2025
1. De subsidie, bedoeld in de artikelen 7en 10, wordt direct vastgesteld op uiterlijk:
a. 31 december 2023, voor een categorie B-vestiging indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 5, tweede lid;
b. 31 januari 2024, voor een categorie A-vestiging indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 5, tweede lid;
c. 31 juli 2024, indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 5, derde lid.
2. De minister bepaalt het betaalritme in de beschikking.
3. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, onderdeel 1.
4. Na afloop van de periode, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, b of cwordt op basis van het daartoe door DUS-I beschikbaar gestelde format van DUS-I uiterlijk op 1 november 2025 een eindverslag ingediend bij DUS-I. In het eindverslag vermeldt de subsidieontvanger aantallen deelnemende leerlingen en aantal aangeboden uren, als bedoeld in artikel 5, vierde of vijfde lid, en neemt de subsidieontvanger een verwijzing op naar de vindplaats van het in artikel 4, vierde lid, bedoelde kwaliteitsplan. Voor zover een aanvraag als bedoeld in artikel 3ais ingewilligd, geschiedt de vermelding van de aantallen, bedoeld in de tweede volzin, aan de hand van een uitsplitsing over de schooljaren 2023–2024 en 2024–2025.
5. De subsidieontvanger meldt schriftelijk indien het daadwerkelijke aantal deelnemende leerlingen of het aantal aangeboden klokuren aan activiteiten minder is dan 75% van het voorgenomen aantal leerlingen of klokuren. Indien er sprake is van een onderprestatie als bedoeld in de eerste volzin, kan de subsidie lager worden vastgesteld. Voor het lager vaststellen van de subsidie wordt uitgegaan van het product van de leerlingen en uren per week, waarbij:
a. uren die meetellen activiteiten betreffen die vallen onder de ontwikkelgebieden, bedoeld in artikel 3, vierde lid; en
b. een uitbreiding van uren in de zin van artikel 5, vijfde lid, onderdeel b, buiten beschouwing blijft.
6. De activiteiten waarvoor op grond van artikel 3, eerste of tweede lid, subsidie is verstrekt aan een categorie A-vestiging, gelden als volledig verricht, indien ten minste 75% van de leerlingen, bedoeld in artikel 5, vierde lid, onderdeel e, aan het programma verrijkte schooldag heeft deelgenomen en indien ten minste 75% van het aantal uren, bedoeld in artikel 5, vierde lid, onderdeel f, daadwerkelijk is aangeboden.
7. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, die betrekking heeft op een categorie B-vestiging, dan gelden de activiteiten als volledig verricht, indien ten minste 75% van de leerlingen bedoeld in artikel 5, vierde lid, onderdeel e, aan het programma verrijkte schooldag heeft deelgenomen en wanneer ten minste 75% van de uren als bedoeld in artikel 8 eerste lid, onderdeel idaadwerkelijk is aangeboden.
8. Op vestigingen die op grond van artikel 3avoor het schooljaar 2024–2025 te gelden hebben als categorie A-vestigingen, is het zevende lid van toepassing op schooljaar 2023–2024 en is het zesde lid van overeenkomstige toepassing op schooljaar 2024–2025.
9. Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het eventueel niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.
10. Indien de activiteiten niet volledig zijn uitgevoerd of niet aan de verplichtingen is voldaan, kan de minister de subsidie lager vaststellen.
11. De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.
a. 31 december 2023, voor een categorie B-vestiging indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 5, tweede lid;
b. 31 januari 2024, voor een categorie A-vestiging indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 5, tweede lid;
c. 31 juli 2024, indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 5, derde lid.
2. De minister bepaalt het betaalritme in de beschikking.
3. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, onderdeel 1.
4. Na afloop van de periode, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, b of cwordt op basis van het daartoe door DUS-I beschikbaar gestelde format van DUS-I uiterlijk op 1 november 2025 een eindverslag ingediend bij DUS-I. In het eindverslag vermeldt de subsidieontvanger aantallen deelnemende leerlingen en aantal aangeboden uren, als bedoeld in artikel 5, vierde of vijfde lid, en neemt de subsidieontvanger een verwijzing op naar de vindplaats van het in artikel 4, vierde lid, bedoelde kwaliteitsplan. Voor zover een aanvraag als bedoeld in artikel 3ais ingewilligd, geschiedt de vermelding van de aantallen, bedoeld in de tweede volzin, aan de hand van een uitsplitsing over de schooljaren 2023–2024 en 2024–2025.
5. De subsidieontvanger meldt schriftelijk indien het daadwerkelijke aantal deelnemende leerlingen of het aantal aangeboden klokuren aan activiteiten minder is dan 75% van het voorgenomen aantal leerlingen of klokuren. Indien er sprake is van een onderprestatie als bedoeld in de eerste volzin, kan de subsidie lager worden vastgesteld. Voor het lager vaststellen van de subsidie wordt uitgegaan van het product van de leerlingen en uren per week, waarbij:
a. uren die meetellen activiteiten betreffen die vallen onder de ontwikkelgebieden, bedoeld in artikel 3, vierde lid; en
b. een uitbreiding van uren in de zin van artikel 5, vijfde lid, onderdeel b, buiten beschouwing blijft.
6. De activiteiten waarvoor op grond van artikel 3, eerste of tweede lid, subsidie is verstrekt aan een categorie A-vestiging, gelden als volledig verricht, indien ten minste 75% van de leerlingen, bedoeld in artikel 5, vierde lid, onderdeel e, aan het programma verrijkte schooldag heeft deelgenomen en indien ten minste 75% van het aantal uren, bedoeld in artikel 5, vierde lid, onderdeel f, daadwerkelijk is aangeboden.
7. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, die betrekking heeft op een categorie B-vestiging, dan gelden de activiteiten als volledig verricht, indien ten minste 75% van de leerlingen bedoeld in artikel 5, vierde lid, onderdeel e, aan het programma verrijkte schooldag heeft deelgenomen en wanneer ten minste 75% van de uren als bedoeld in artikel 8 eerste lid, onderdeel idaadwerkelijk is aangeboden.
8. Op vestigingen die op grond van artikel 3avoor het schooljaar 2024–2025 te gelden hebben als categorie A-vestigingen, is het zevende lid van toepassing op schooljaar 2023–2024 en is het zesde lid van overeenkomstige toepassing op schooljaar 2024–2025.
9. Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het eventueel niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.
10. Indien de activiteiten niet volledig zijn uitgevoerd of niet aan de verplichtingen is voldaan, kan de minister de subsidie lager vaststellen.
11. De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.