BWBR0048092
Geldig vanaf 2023-05-01
Artikel 25
Tijdelijke regeling specifieke uitkering bodem 2023
1. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 21, besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan:
a. de instandhouding of voortzetting van een reeds tussen de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het desbetreffende bevoegd gezag overeengekomen gevalsgerichte aanpak van ernstige bodemverontreiniging;
b. het nemen van maatregelen die tot doel hebben om te komen tot afbouw van isoleren, beheer- en controlemaatregelen als bedoeld in het convenant bodem en ondergrond; of
c. het wegnemen van onvoorziene milieuhygiënische risico’s bij de reeds overeengekomen gevalsgerichte aanpak van ernstige verontreiniging.
2. Onverminderd het eerste lid besteedt het bevoegd gezag de specifieke uitkering uitsluitend aan activiteiten waarvan de kosten niet kunnen worden verhaald op de veroorzaker van de bodemverontreiniging of aan activiteiten waarvan de kosten wegens onvoldoende draagkracht niet of niet volledig kunnen worden gedragen door de eigenaar van de locatie.
3. Indien er sprake is van een situatie waarin het bevoegd gezag onverwijld moet handelen vanwege risico’s voor mens of ecologie of van verspreiding van de verontreiniging, mag de specifieke uitkering in afwijking van het tweede lid worden besteed aan de kosten daarvoor, vooruitlopend op het verhaal van die kosten op de veroorzaker van de verontreiniging of de eigenaar van de locatie.
4. Een project als bedoeld in artikel 21start in 2024 te rekenen vanaf de startdatum van de bestedingsperiode opgenomen in de beschikking tot verlening van de specifieke uitkering.
5. De projecten zijn onverminderd artikel 22, derde lid, uiterlijk vijf jaar na de startdatum uitgevoerd.
6. In geval van onvoorziene vertraging in de uitvoering mogen in afwijking van het vijfde lid de projecten uiterlijk op 31 december 2030 zijn uitgevoerd.
a. de instandhouding of voortzetting van een reeds tussen de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het desbetreffende bevoegd gezag overeengekomen gevalsgerichte aanpak van ernstige bodemverontreiniging;
b. het nemen van maatregelen die tot doel hebben om te komen tot afbouw van isoleren, beheer- en controlemaatregelen als bedoeld in het convenant bodem en ondergrond; of
c. het wegnemen van onvoorziene milieuhygiënische risico’s bij de reeds overeengekomen gevalsgerichte aanpak van ernstige verontreiniging.
2. Onverminderd het eerste lid besteedt het bevoegd gezag de specifieke uitkering uitsluitend aan activiteiten waarvan de kosten niet kunnen worden verhaald op de veroorzaker van de bodemverontreiniging of aan activiteiten waarvan de kosten wegens onvoldoende draagkracht niet of niet volledig kunnen worden gedragen door de eigenaar van de locatie.
3. Indien er sprake is van een situatie waarin het bevoegd gezag onverwijld moet handelen vanwege risico’s voor mens of ecologie of van verspreiding van de verontreiniging, mag de specifieke uitkering in afwijking van het tweede lid worden besteed aan de kosten daarvoor, vooruitlopend op het verhaal van die kosten op de veroorzaker van de verontreiniging of de eigenaar van de locatie.
4. Een project als bedoeld in artikel 21start in 2024 te rekenen vanaf de startdatum van de bestedingsperiode opgenomen in de beschikking tot verlening van de specifieke uitkering.
5. De projecten zijn onverminderd artikel 22, derde lid, uiterlijk vijf jaar na de startdatum uitgevoerd.
6. In geval van onvoorziene vertraging in de uitvoering mogen in afwijking van het vijfde lid de projecten uiterlijk op 31 december 2030 zijn uitgevoerd.