BWBR0048092
Geldig vanaf 2023-05-01
Artikel 11
Tijdelijke regeling specifieke uitkering bodem 2023
1. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde projecten of locaties voor zover het gaat om kosten voor onderzoek, saneringsmaatregelen of andere activiteiten die nodig zijn voor het wegnemen of beheersen van onaanvaardbare humane, ecologische dan wel verspreidingsrisico’s bij die projecten of locaties, met dien verstande dat de uitkering mag worden besteed aan een ander project of een andere locatie binnen de aanpak van de historische spoedopgave, genoemd in die beschikking.
2. Onverminderd het eerste lid besteedt het bevoegd gezag de specifieke uitkering uitsluitend aan activiteiten waarvan de kosten niet kunnen worden verhaald op de veroorzaker van de bodemverontreiniging of aan activiteiten waarvan de kosten wegens onvoldoende draagkracht niet of niet volledig kunnen worden gedragen door de eigenaar van de locatie.
3. Indien er sprake is van een situatie waarin het bevoegd gezag onverwijld moet handelen vanwege risico’s voor mens of ecologie of van verspreiding van de verontreiniging, mag de specifieke uitkering in afwijking van het tweede lid worden besteed aan de kosten daarvoor, vooruitlopend op het verhaal van die kosten op de veroorzaker van de verontreiniging of de eigenaar van de locatie.
4. Activiteiten als bedoeld in het eerste lid starten in 2023 te rekenen vanaf de startdatum van de bestedingsperiode opgenomen in de beschikking tot verlening van de specifieke uitkering.
5. De activiteiten zijn onverminderd artikel 9, derde lid, uiterlijk vijf jaar na de startdatum uitgevoerd.
6. In geval van onvoorziene vertraging in de uitvoering mogen in afwijking van het vijfde lid de projecten uiterlijk op 31 december 2030 zijn uitgevoerd.
2. Onverminderd het eerste lid besteedt het bevoegd gezag de specifieke uitkering uitsluitend aan activiteiten waarvan de kosten niet kunnen worden verhaald op de veroorzaker van de bodemverontreiniging of aan activiteiten waarvan de kosten wegens onvoldoende draagkracht niet of niet volledig kunnen worden gedragen door de eigenaar van de locatie.
3. Indien er sprake is van een situatie waarin het bevoegd gezag onverwijld moet handelen vanwege risico’s voor mens of ecologie of van verspreiding van de verontreiniging, mag de specifieke uitkering in afwijking van het tweede lid worden besteed aan de kosten daarvoor, vooruitlopend op het verhaal van die kosten op de veroorzaker van de verontreiniging of de eigenaar van de locatie.
4. Activiteiten als bedoeld in het eerste lid starten in 2023 te rekenen vanaf de startdatum van de bestedingsperiode opgenomen in de beschikking tot verlening van de specifieke uitkering.
5. De activiteiten zijn onverminderd artikel 9, derde lid, uiterlijk vijf jaar na de startdatum uitgevoerd.
6. In geval van onvoorziene vertraging in de uitvoering mogen in afwijking van het vijfde lid de projecten uiterlijk op 31 december 2030 zijn uitgevoerd.