BWBR0047844
Geldig vanaf 2025-06-29
Artikel 6
Regeling specifieke uitkering Lokale Aanpak Isolatie
1. De gemeente die een specifieke uitkering ontvangt is verplicht om:
a. energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, te bewerkstelligen in het aantal slecht geïsoleerde woningen dat de gemeente in de aanvraag heeft opgegeven op grond van artikel 4, tweede lid, onderdeel b, met dien verstande dat: 1°. bij dit criterium enkel energiebesparende isolatiemaatregelen meetellen die voldoen aan de in artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies of artikel 7, tweede lid, van de Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars gestelde eisen ten aanzien van de minimaal te isoleren vierkante meters en minimaal te behalen isolatiewaardes; en
2°. voor 10% van het aantal slecht geïsoleerde woningen dat het college in de aanvraag heeft opgegeven de eisen ten aanzien van de minimaal te isoleren vierkante meters niet gelden;
1°. bij dit criterium enkel energiebesparende isolatiemaatregelen meetellen die voldoen aan de in artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies of artikel 7, tweede lid, van de Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars gestelde eisen ten aanzien van de minimaal te isoleren vierkante meters en minimaal te behalen isolatiewaardes; en
2°. voor 10% van het aantal slecht geïsoleerde woningen dat het college in de aanvraag heeft opgegeven de eisen ten aanzien van de minimaal te isoleren vierkante meters niet gelden;
b. ervoor zorg te dragen dat ten minste 80% van de slecht geïsoleerde woningen waarbij de gemeente energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, bewerkstelligt, een WOZ-waarde heeft die: 1º. lager is dan de gemiddelde WOZ-waarde van alle koopwoningen in de betreffende gemeente, uitgaande van de waarde die is opgenomen in de laatste kolom van bijlage I; of
2º. lager is dan € 477.000; en
1º. lager is dan de gemiddelde WOZ-waarde van alle koopwoningen in de betreffende gemeente, uitgaande van de waarde die is opgenomen in de laatste kolom van bijlage I; of
2º. lager is dan € 477.000; en
c. met betrekking tot activiteiten waarvoor: op grond van artikel 3, eerste, tweede of derde lid of vijfde, zesde, zevende of achtste lid, een specifieke uitkering is aangevraagd en toegekend uiterlijk op 31 december 2028 af te ronden en de specifieke uitkering uiterlijk op 31 december 2028 volledig te besteden aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt; en
d. indien het een specifieke uitkering betreft die is aangevraagd op grond van artikel 3, derde of zevende lid, deze volledig te besteden aan doe-het-zelf maatregelen en de activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid voor zover die activiteiten gericht zijn op het tot stand brengen van doe-het-zelf maatregelen.
2. De Minister kan op gemotiveerd verzoek van het college de in het eerste lid, onderdeel c, genoemde termijn, tweemaal met ten hoogste één jaar verlengen, indien sprake is van onvoorziene omstandigheden op grond waarvan het aannemelijk is dat de uitvoering van de activiteiten waar de specifieke uitkering voor is verstrekt niet binnen die termijn kan worden afgerond.
a. energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, te bewerkstelligen in het aantal slecht geïsoleerde woningen dat de gemeente in de aanvraag heeft opgegeven op grond van artikel 4, tweede lid, onderdeel b, met dien verstande dat: 1°. bij dit criterium enkel energiebesparende isolatiemaatregelen meetellen die voldoen aan de in artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies of artikel 7, tweede lid, van de Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars gestelde eisen ten aanzien van de minimaal te isoleren vierkante meters en minimaal te behalen isolatiewaardes; en
2°. voor 10% van het aantal slecht geïsoleerde woningen dat het college in de aanvraag heeft opgegeven de eisen ten aanzien van de minimaal te isoleren vierkante meters niet gelden;
1°. bij dit criterium enkel energiebesparende isolatiemaatregelen meetellen die voldoen aan de in artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies of artikel 7, tweede lid, van de Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars gestelde eisen ten aanzien van de minimaal te isoleren vierkante meters en minimaal te behalen isolatiewaardes; en
2°. voor 10% van het aantal slecht geïsoleerde woningen dat het college in de aanvraag heeft opgegeven de eisen ten aanzien van de minimaal te isoleren vierkante meters niet gelden;
b. ervoor zorg te dragen dat ten minste 80% van de slecht geïsoleerde woningen waarbij de gemeente energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, bewerkstelligt, een WOZ-waarde heeft die: 1º. lager is dan de gemiddelde WOZ-waarde van alle koopwoningen in de betreffende gemeente, uitgaande van de waarde die is opgenomen in de laatste kolom van bijlage I; of
2º. lager is dan € 477.000; en
1º. lager is dan de gemiddelde WOZ-waarde van alle koopwoningen in de betreffende gemeente, uitgaande van de waarde die is opgenomen in de laatste kolom van bijlage I; of
2º. lager is dan € 477.000; en
c. met betrekking tot activiteiten waarvoor: op grond van artikel 3, eerste, tweede of derde lid of vijfde, zesde, zevende of achtste lid, een specifieke uitkering is aangevraagd en toegekend uiterlijk op 31 december 2028 af te ronden en de specifieke uitkering uiterlijk op 31 december 2028 volledig te besteden aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt; en
d. indien het een specifieke uitkering betreft die is aangevraagd op grond van artikel 3, derde of zevende lid, deze volledig te besteden aan doe-het-zelf maatregelen en de activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid voor zover die activiteiten gericht zijn op het tot stand brengen van doe-het-zelf maatregelen.
2. De Minister kan op gemotiveerd verzoek van het college de in het eerste lid, onderdeel c, genoemde termijn, tweemaal met ten hoogste één jaar verlengen, indien sprake is van onvoorziene omstandigheden op grond waarvan het aannemelijk is dat de uitvoering van de activiteiten waar de specifieke uitkering voor is verstrekt niet binnen die termijn kan worden afgerond.