BWBR0047553
Geldig vanaf 01-04-2021
Artikel 3.1
Beleidsregels vergunningverlening kansspelen op afstand
1. Een aanvraag wordt door de raad van bestuur in alle gevallen onderworpen aan een integriteitsbeoordeling.
2. Bij de integriteitsbeoordeling betrekt de raad van bestuur in ieder geval de volgende aspecten:
a. of de betrouwbaarheid van de aanvrager, de personen die zijn beleid bepalen of mede bepalen en zijn uiteindelijke belanghebbenden buiten twijfel staat op grond van hun voornemens, handelingen of antecedenten, als bedoeld in artikel 31i, eerste lid, van de wet;
b. of sprake is van een mindere mate van gevaar of ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet Bibob;
c. of sprake is van een mindere mate van gevaar of ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet Bibob; en
d. of sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen dan wel doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de wet Bibob.
2. Bij de integriteitsbeoordeling betrekt de raad van bestuur in ieder geval de volgende aspecten:
a. of de betrouwbaarheid van de aanvrager, de personen die zijn beleid bepalen of mede bepalen en zijn uiteindelijke belanghebbenden buiten twijfel staat op grond van hun voornemens, handelingen of antecedenten, als bedoeld in artikel 31i, eerste lid, van de wet;
b. of sprake is van een mindere mate van gevaar of ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet Bibob;
c. of sprake is van een mindere mate van gevaar of ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet Bibob; en
d. of sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen dan wel doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de wet Bibob.
- Citeren als
- Art. 3.1
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0047553
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl