BWBR0046626
Geldig vanaf 2024-01-15
Artikel 11
Tijdelijke subsidieregeling onderzoek en experimenten duurzame inzetbaarheidsinterventies
1. De Minister kent, na advies van het adviespanel, bedoeld in artikel 12, aan een subsidieaanvraag een hoger aantal punten toe naarmate:
a. de activiteit beter aansluit bij de doelen van de regeling, bedoeld in artikel 3;
b. de omschreven kennisbehoefte meer urgentie heeft binnen één of meer sectoren;
c. de activiteit en de kennis die de activiteit oplevert beter aansluiten bij de aangegeven kennisbehoefte;
d. de kennis die de activiteit oplevert en het eindproduct meer toepasbaar en beter overdraagbaar zijn binnen en buiten de sector;
e. de kwaliteit van het onderzoek in het kader van de activiteit beter is, waarbij gekeken wordt naar de methodiek en de uitvoerbaarheid;
f. de mate waarin beschikbare middelen efficiënt worden ingezet; en
g. het samenwerkingsverband dat de activiteit uitvoert meer geschikt is om de activiteit uit te voeren, blijkend uit de daarvoor benodigde competenties, de samenstelling van het samenwerkingsverband, de intrinsieke motivatie voor de activiteit en het externe draagvlak voor de activiteit bij bedrijven of organisaties.
2. De Minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe.
3. Voor de rangschikking worden de punten gegeven voor de onderdelen van het eerste lid opgeteld.
4. Een subsidieaanvraag wordt als onvoldoende aangemerkt, als de aanvraag:
a. voor meer dan één onderdeel van het eerste lid minder dan vijf en een half punt scoort;
b. voor een onderdeel van het eerste lid minder dan vier punten scoort; of
c. voor de onderdelen van het eerste lid gemiddeld minder dan vijf en een half punt scoort.
5. De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan de aanvraag zijn toegekend.
a. de activiteit beter aansluit bij de doelen van de regeling, bedoeld in artikel 3;
b. de omschreven kennisbehoefte meer urgentie heeft binnen één of meer sectoren;
c. de activiteit en de kennis die de activiteit oplevert beter aansluiten bij de aangegeven kennisbehoefte;
d. de kennis die de activiteit oplevert en het eindproduct meer toepasbaar en beter overdraagbaar zijn binnen en buiten de sector;
e. de kwaliteit van het onderzoek in het kader van de activiteit beter is, waarbij gekeken wordt naar de methodiek en de uitvoerbaarheid;
f. de mate waarin beschikbare middelen efficiënt worden ingezet; en
g. het samenwerkingsverband dat de activiteit uitvoert meer geschikt is om de activiteit uit te voeren, blijkend uit de daarvoor benodigde competenties, de samenstelling van het samenwerkingsverband, de intrinsieke motivatie voor de activiteit en het externe draagvlak voor de activiteit bij bedrijven of organisaties.
2. De Minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe.
3. Voor de rangschikking worden de punten gegeven voor de onderdelen van het eerste lid opgeteld.
4. Een subsidieaanvraag wordt als onvoldoende aangemerkt, als de aanvraag:
a. voor meer dan één onderdeel van het eerste lid minder dan vijf en een half punt scoort;
b. voor een onderdeel van het eerste lid minder dan vier punten scoort; of
c. voor de onderdelen van het eerste lid gemiddeld minder dan vijf en een half punt scoort.
5. De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan de aanvraag zijn toegekend.