BWBR0045574
Geldig vanaf 2022-01-01
Artikel 3.12
Regeling inburgering 2021
Van de verplichting om voor een of meerdere onderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 het examen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over een van de volgende bewijsstukken, en daaruit blijkt dat een voldoende resultaat is behaald voor het vak Nederlandse taal:
a. een certificaat dat is afgegeven ter afronding van het examenonderdeel lezen, schrijven, luisteren respectievelijk spreken van het Staatsexamen Nederlands als tweede taal, alsmede degene die beschikt over het diploma van het staatsexamen Nederlands als tweede taal op ten minste niveau B1;
b. een cijferlijst als bedoeld in artikel 52 of een certificaat als bedoeld in artikel 53 van het Eindexamenbesluit VO of artikel 31 van het Staatsexamenbesluit VO;
c. een van de volgende certificaten van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal: i. Certificaat Profiel Maatschappelijk Formeel op ERK-niveau B1;
ii. Certificaat Profiel Zakelijk Professionele op ERK-niveau B2;
iii. Certificaat Profiel Educatief Startbekwaam op ERK-niveau B2;
iv. Certificaat Profiel Educatief Professioneel op ERK-niveau C1; of
i. Certificaat Profiel Maatschappelijk Formeel op ERK-niveau B1;
ii. Certificaat Profiel Zakelijk Professionele op ERK-niveau B2;
iii. Certificaat Profiel Educatief Startbekwaam op ERK-niveau B2;
iv. Certificaat Profiel Educatief Professioneel op ERK-niveau C1; of
d. een buitenlands diploma, getuigschrift of certificaat behaald bij een door de overheid van het land waar de opleiding is gevolgd erkende instelling, waaruit blijkt dat de inburgeringsplichtige een of meerdere van de schriftelijke en mondelinge vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 beheerst.
a. een certificaat dat is afgegeven ter afronding van het examenonderdeel lezen, schrijven, luisteren respectievelijk spreken van het Staatsexamen Nederlands als tweede taal, alsmede degene die beschikt over het diploma van het staatsexamen Nederlands als tweede taal op ten minste niveau B1;
b. een cijferlijst als bedoeld in artikel 52 of een certificaat als bedoeld in artikel 53 van het Eindexamenbesluit VO of artikel 31 van het Staatsexamenbesluit VO;
c. een van de volgende certificaten van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal: i. Certificaat Profiel Maatschappelijk Formeel op ERK-niveau B1;
ii. Certificaat Profiel Zakelijk Professionele op ERK-niveau B2;
iii. Certificaat Profiel Educatief Startbekwaam op ERK-niveau B2;
iv. Certificaat Profiel Educatief Professioneel op ERK-niveau C1; of
i. Certificaat Profiel Maatschappelijk Formeel op ERK-niveau B1;
ii. Certificaat Profiel Zakelijk Professionele op ERK-niveau B2;
iii. Certificaat Profiel Educatief Startbekwaam op ERK-niveau B2;
iv. Certificaat Profiel Educatief Professioneel op ERK-niveau C1; of
d. een buitenlands diploma, getuigschrift of certificaat behaald bij een door de overheid van het land waar de opleiding is gevolgd erkende instelling, waaruit blijkt dat de inburgeringsplichtige een of meerdere van de schriftelijke en mondelinge vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 beheerst.