BWBR0044863
Geldig vanaf 2021-03-01
Artikel 3
Regeling plantgezondheid
1. De minister kan fytosanitaire maatregelen treffen in een situatie als bedoeld in artikel 10, derde alinea, van verordening 2016/2031met inachtneming van bijlage II van verordening 2016/2031ten aanzien van:
a. een EU-quarantaineorganisme indien dat organisme mogelijk aanwezig is in een deel van Nederland waarvan al bekend is dat het organisme er voorkomt;
b. een schadelijk organisme dat onderworpen is aan de krachtens artikel 30, eerste lid, van verordening 2016/2031 vastgestelde maatregelen indien dat organisme mogelijk aanwezig is in een deel van Nederland waarvan al bekend is dat het organisme er voorkomt;
c. een EU gereguleerd niet-quarantaineorganisme als bedoeld in artikel 36 van verordening 2016/2031, of
d. een ZP-quarantaineorganisme als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van verordening 2016/2031.
2. De minister kan fytosanitaire maatregelen treffen indien een partij planten, plantaardige producten of andere materialen verdacht wordt door een schadelijk organisme te zijn aangetast maar dat niet officieel bevestigd is, met inachtneming van bijlage II, van verordening 2016/2031.
3. De minister kan fytosanitaire maatregelen treffen als bedoeld in bijlage II van verordening 2016/2031in een situatie als bedoeld in artikel 17 van verordening 2016/2031ten aanzien van:
a. een EU-quarantaineorganisme indien dat organisme aanwezig is in Nederland of een deel van Nederland waarvan al bekend is dat het organisme er voorkomt;
b. een schadelijk organisme dat onderworpen is aan de krachtens artikel 30, eerste lid, van verordening 2016/2031 vastgestelde maatregelen indien dat organisme aanwezig is in een deel van Nederland waarvan al bekend is dat het organisme er voorkomt;
c. een EU gereguleerd niet-quarantaineorganisme als bedoeld in artikel 36 van verordening 2016/2031, of
d. een ZP-quarantaineorganisme als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van verordening 2016/2031.
4. De fytosanitaire maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen, indien zij een besluit zijn, voor één of meer afzonderlijke gevallen worden genomen.
5. Aan deze besluiten kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
a. een EU-quarantaineorganisme indien dat organisme mogelijk aanwezig is in een deel van Nederland waarvan al bekend is dat het organisme er voorkomt;
b. een schadelijk organisme dat onderworpen is aan de krachtens artikel 30, eerste lid, van verordening 2016/2031 vastgestelde maatregelen indien dat organisme mogelijk aanwezig is in een deel van Nederland waarvan al bekend is dat het organisme er voorkomt;
c. een EU gereguleerd niet-quarantaineorganisme als bedoeld in artikel 36 van verordening 2016/2031, of
d. een ZP-quarantaineorganisme als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van verordening 2016/2031.
2. De minister kan fytosanitaire maatregelen treffen indien een partij planten, plantaardige producten of andere materialen verdacht wordt door een schadelijk organisme te zijn aangetast maar dat niet officieel bevestigd is, met inachtneming van bijlage II, van verordening 2016/2031.
3. De minister kan fytosanitaire maatregelen treffen als bedoeld in bijlage II van verordening 2016/2031in een situatie als bedoeld in artikel 17 van verordening 2016/2031ten aanzien van:
a. een EU-quarantaineorganisme indien dat organisme aanwezig is in Nederland of een deel van Nederland waarvan al bekend is dat het organisme er voorkomt;
b. een schadelijk organisme dat onderworpen is aan de krachtens artikel 30, eerste lid, van verordening 2016/2031 vastgestelde maatregelen indien dat organisme aanwezig is in een deel van Nederland waarvan al bekend is dat het organisme er voorkomt;
c. een EU gereguleerd niet-quarantaineorganisme als bedoeld in artikel 36 van verordening 2016/2031, of
d. een ZP-quarantaineorganisme als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van verordening 2016/2031.
4. De fytosanitaire maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen, indien zij een besluit zijn, voor één of meer afzonderlijke gevallen worden genomen.
5. Aan deze besluiten kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.