BWBR0044273
Geldig vanaf 2020-10-31
Artikel 4
Subsidieregeling opschaling curatieve zorg COVID-19
1. De minister beziet gedurende de subsidieperiode hoe de uitbraak van COVID-19 zich ontwikkelt en in hoeverre het uitvoeren van de diverse activiteiten, bedoeld in artikel 3, noodzakelijk blijft om die uitbraak onder controle te krijgen en te houden.
2. Indien gedurende de subsidieperiode op basis van advies van het Outbreak Management Team blijkt dat de uitbraak van COVID-19 zich zodanig ontwikkelt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e en f, niet meer geheel noodzakelijk zijn, treedt de minister daarover onverwijld in overleg met de instellingen die subsidie ontvangen.
3. Indien de omstandigheid, bedoeld in het tweede lid, zich voordoet, kan de minister de subsidieverlening ten nadele van de subsidie-ontvangende instelling wijzigen of de subsidie lager vaststellen.
2. Indien gedurende de subsidieperiode op basis van advies van het Outbreak Management Team blijkt dat de uitbraak van COVID-19 zich zodanig ontwikkelt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e en f, niet meer geheel noodzakelijk zijn, treedt de minister daarover onverwijld in overleg met de instellingen die subsidie ontvangen.
3. Indien de omstandigheid, bedoeld in het tweede lid, zich voordoet, kan de minister de subsidieverlening ten nadele van de subsidie-ontvangende instelling wijzigen of de subsidie lager vaststellen.