BWBR0044273
Geldig vanaf 2020-10-31
Artikel 11
Subsidieregeling opschaling curatieve zorg COVID-19
1. De instelling is verplicht:
a. het aantal IC-bedden beschikbaar te hebben dat overeenkomstig bijlage I voor die instelling is vastgesteld;
b. zich in te spannen om de zorg aan niet-COVID-19 patiënten in opschalingsfase 2 en opschalingsfase 3 maximaal op peil te houden;
c. een contactpersoon aan te wijzen binnen de instelling die mandaat heeft om in overleg te treden met de minister, zorgverzekeraars en het ROAZ;
d. dagelijks informatie aan het LCPS of de ROAZ aan te leveren over het aantal reguliere patiënten en COVID-19 patiënten dat is opgenomen in de instelling;
e. zich in te spannen om eventuele herverdeling van het aantal op te schalen IC-bedden binnen de ROAZ-regio tot stand te brengen; en
f. een administratie te voeren die zodanig is ingericht dat daarin te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan.
2. De instelling die subsidie ontvangt voor de aanleg van de COVID-19 crisisvoorraad geneesmiddelen is verplicht:
a. medewerking te verlenen aan alle monitoringsverzoeken van het LCG;
b. onmiddellijk gevolg te geven aan verzoeken van het LCG om een gedeelte van de COVID-19 crisisvoorraad geneesmiddelen over te dragen aan een andere instelling; en
c. zich in te spannen om de COVID-19 crisisvoorraad geneesmiddelen gedurende de subsidieperiode continu op peil te houden, overeenkomstig de afspraken met het LCG.
3. De instelling die subsidie ontvangt doet inhoudelijk verslag van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten, bedoeld in artikel 3. Het besluit tot verlening van de subsidie vermeldt op welke tijdstippen verslag wordt gedaan en waaruit het verslag bestaat.
a. het aantal IC-bedden beschikbaar te hebben dat overeenkomstig bijlage I voor die instelling is vastgesteld;
b. zich in te spannen om de zorg aan niet-COVID-19 patiënten in opschalingsfase 2 en opschalingsfase 3 maximaal op peil te houden;
c. een contactpersoon aan te wijzen binnen de instelling die mandaat heeft om in overleg te treden met de minister, zorgverzekeraars en het ROAZ;
d. dagelijks informatie aan het LCPS of de ROAZ aan te leveren over het aantal reguliere patiënten en COVID-19 patiënten dat is opgenomen in de instelling;
e. zich in te spannen om eventuele herverdeling van het aantal op te schalen IC-bedden binnen de ROAZ-regio tot stand te brengen; en
f. een administratie te voeren die zodanig is ingericht dat daarin te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan.
2. De instelling die subsidie ontvangt voor de aanleg van de COVID-19 crisisvoorraad geneesmiddelen is verplicht:
a. medewerking te verlenen aan alle monitoringsverzoeken van het LCG;
b. onmiddellijk gevolg te geven aan verzoeken van het LCG om een gedeelte van de COVID-19 crisisvoorraad geneesmiddelen over te dragen aan een andere instelling; en
c. zich in te spannen om de COVID-19 crisisvoorraad geneesmiddelen gedurende de subsidieperiode continu op peil te houden, overeenkomstig de afspraken met het LCG.
3. De instelling die subsidie ontvangt doet inhoudelijk verslag van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten, bedoeld in artikel 3. Het besluit tot verlening van de subsidie vermeldt op welke tijdstippen verslag wordt gedaan en waaruit het verslag bestaat.