BWBR0043540
Geldig vanaf 2020-07-18
Artikel 2
Besluit Woningbouwimpuls 2020
1. Onze Minister kan op aanvraag van een college een specifieke uitkering verstrekken aan de gemeente voor bijdragen in projecten die:
a. het realiseren of het versnellen van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving tot doel hebben;
b. nog niet in de uitvoerende fase zijn;
c. binnen afzienbare tijd opgestart kunnen worden; en
d. door de bij het project betrokken partijen zelf van een substantiële financiële bijdrage worden voorzien.
2. De uitkering wordt slechts toegekend ten behoeve van bijdragen in een project dat is gericht op:
a. de bouw van een substantieel aantal woningen in een afgebakend projectgebied, met een substantieel aandeel betaalbare woningen; en
b. het uitvoeren van activiteiten die zijn gericht op: 1°. de infrastructurele ontsluiting;
2°. verlaging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden;
3°. bodemsanering in een afgebakend projectgebied;
4°. uitplaatsing van activiteiten die hinder veroorzaken voor woningbouw;
5°. de inrichting van de openbare ruimte in een afgebakend projectgebied; of
6°. kosten verbonden aan de betaalbaarheid van woningen in een afgebakend projectgebied,
1°. de infrastructurele ontsluiting;
2°. verlaging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden;
3°. bodemsanering in een afgebakend projectgebied;
4°. uitplaatsing van activiteiten die hinder veroorzaken voor woningbouw;
5°. de inrichting van de openbare ruimte in een afgebakend projectgebied; of
6°. kosten verbonden aan de betaalbaarheid van woningen in een afgebakend projectgebied,
indien deze activiteiten op aantoonbare wijze bijdragen aan en noodzakelijk zijn voor het versnellen of realiseren van de bouw van woningen als bedoeld onder a.
3. De aangevraagde uitkering bedraagt ten hoogste het aantoonbare financiële tekort van een gemeente op de voor het project noodzakelijke publieke investeringen van de in het tweede lid, onder a en b, genoemde activiteiten, verminderd met bijdragen als bedoeld in het eerste lid, onder d.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste tot en met derde lid.
a. het realiseren of het versnellen van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving tot doel hebben;
b. nog niet in de uitvoerende fase zijn;
c. binnen afzienbare tijd opgestart kunnen worden; en
d. door de bij het project betrokken partijen zelf van een substantiële financiële bijdrage worden voorzien.
2. De uitkering wordt slechts toegekend ten behoeve van bijdragen in een project dat is gericht op:
a. de bouw van een substantieel aantal woningen in een afgebakend projectgebied, met een substantieel aandeel betaalbare woningen; en
b. het uitvoeren van activiteiten die zijn gericht op: 1°. de infrastructurele ontsluiting;
2°. verlaging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden;
3°. bodemsanering in een afgebakend projectgebied;
4°. uitplaatsing van activiteiten die hinder veroorzaken voor woningbouw;
5°. de inrichting van de openbare ruimte in een afgebakend projectgebied; of
6°. kosten verbonden aan de betaalbaarheid van woningen in een afgebakend projectgebied,
1°. de infrastructurele ontsluiting;
2°. verlaging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden;
3°. bodemsanering in een afgebakend projectgebied;
4°. uitplaatsing van activiteiten die hinder veroorzaken voor woningbouw;
5°. de inrichting van de openbare ruimte in een afgebakend projectgebied; of
6°. kosten verbonden aan de betaalbaarheid van woningen in een afgebakend projectgebied,
indien deze activiteiten op aantoonbare wijze bijdragen aan en noodzakelijk zijn voor het versnellen of realiseren van de bouw van woningen als bedoeld onder a.
3. De aangevraagde uitkering bedraagt ten hoogste het aantoonbare financiële tekort van een gemeente op de voor het project noodzakelijke publieke investeringen van de in het tweede lid, onder a en b, genoemde activiteiten, verminderd met bijdragen als bedoeld in het eerste lid, onder d.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste tot en met derde lid.