BWBR0043540
Geldig vanaf 2020-07-18
Artikel 6
Besluit Woningbouwimpuls 2020
1. Onze Minister wijst een aanvraag voor een specifieke uitkering af indien:
a. het project niet voldoet aan de vereisten gesteld bij of krachtens artikel 2;
b. het project een onvoldoende score behaalt bij de weging, bedoeld in artikel 5, tweede lid; of
c. het bedrag van de aangevraagde uitkering dusdanig hoog is dat de toekenning ervan bij de rangschikking, bedoeld in artikel 5, eerste lid, leidt tot een overschrijding van het krachtens artikel 3, tweede of derde lid, vastgestelde bedrag.
2. Onze Minister kan een aanvraag voor een specifieke uitkering tevens afwijzen, indien naar zijn oordeel:
a. de toekenning van de aanvraag in verhouding tot de overige in het totaal van alle aanvraagtijdvakken ingediende aanvragen, ertoe zou leiden dat de spreiding van de beschikbare middelen over de verschillende regio’s in Nederland onevenwichtig is, gelet op de mate waarin sprake is van woningschaarste in de betreffende gebieden; of
b. de aanvragende gemeente onvoldoende inspanning pleegt om tot een woningbouwprogramma met voldoende volume en snelheid te komen aansluitend bij de regionale behoefte.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
a. het rangschikken van aanvragen die gelijk scoren bij de weging op grond van artikel 5, tweede lid, en waarbij de toekenning van die aanvragen zou leiden tot overschrijding van het krachtens artikel 3, tweede of derde lid, vastgestelde bedrag en aanvragen die niet volledig kunnen worden toegekend in verband met de overschrijding van dat bedrag;
b. de toepassing van het tweede lid.
a. het project niet voldoet aan de vereisten gesteld bij of krachtens artikel 2;
b. het project een onvoldoende score behaalt bij de weging, bedoeld in artikel 5, tweede lid; of
c. het bedrag van de aangevraagde uitkering dusdanig hoog is dat de toekenning ervan bij de rangschikking, bedoeld in artikel 5, eerste lid, leidt tot een overschrijding van het krachtens artikel 3, tweede of derde lid, vastgestelde bedrag.
2. Onze Minister kan een aanvraag voor een specifieke uitkering tevens afwijzen, indien naar zijn oordeel:
a. de toekenning van de aanvraag in verhouding tot de overige in het totaal van alle aanvraagtijdvakken ingediende aanvragen, ertoe zou leiden dat de spreiding van de beschikbare middelen over de verschillende regio’s in Nederland onevenwichtig is, gelet op de mate waarin sprake is van woningschaarste in de betreffende gebieden; of
b. de aanvragende gemeente onvoldoende inspanning pleegt om tot een woningbouwprogramma met voldoende volume en snelheid te komen aansluitend bij de regionale behoefte.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
a. het rangschikken van aanvragen die gelijk scoren bij de weging op grond van artikel 5, tweede lid, en waarbij de toekenning van die aanvragen zou leiden tot overschrijding van het krachtens artikel 3, tweede of derde lid, vastgestelde bedrag en aanvragen die niet volledig kunnen worden toegekend in verband met de overschrijding van dat bedrag;
b. de toepassing van het tweede lid.