BWBR0043533
Geldig vanaf 01-01-2023
Artikel 10
Tijdelijke subsidieregeling financiering kinderopvang Caribisch Nederland
1. Alleen kinderopvangorganisaties die in het bezit zijn van een exploitatievergunning, dan wel in afwachting zijn van een beslissing omtrent de aanvraag van een exploitatievergunning en in 2019 aantoonbaar kinderen hebben opgevangen komen in aanmerking voor een kostprijs verlagende subsidie.
2. Indien een kinderopvangorganisatie in afwachting is van een beslissing als bedoeld in het eerste lid en de exploitatievergunning op 1 februari 2021 niet is verleend, stopt de subsidieverlening of zoveel eerder indien het openbaar lichaam een negatief advies op het besluit heeft genomen.
3. De kinderopvangorganisatie komt alleen in aanmerking voor een kostprijs verlagende subsidie voor kinderen die zijn ingeschreven als ingezetenen bij het openbaar lichaam waar de opvang plaats vindt.
4. De kinderopvangorganisatie komt alleen in aanmerking voor een kostprijs verlagende subsidie als er sprake is van een schriftelijke overeenkomst betreffende de kinderopvang, tussen de kinderopvangorganisatie en de ouder.
5. De kinderopvangorganisatie komt alleen in aanmerking voor een kostprijs verlagende subsidie als er sprake is van een door het openbaar lichaam goedgekeurd transitieplan of indien het transitieplan uiterlijk 1 december 2021, of, indien de beschikking tot subsidieverlening is gedateerd op of na 2 augustus 2021, vier maanden na de dag waarop de subsidie is verleend, is goedgekeurd door het openbaar lichaam.
6. Het vijfde lid is niet van toepassing op kinderopvangorganisaties die op of na 1 januari 2022 kostprijs verlagende subsidie aanvragen.
7. De kinderopvangorganisatie komt alleen in aanmerking voor een kostprijs verlagende subsidie als er sprake is van kinderopvang zoals in de overeenkomst, bedoeld in het vierde lid, is vastgelegd.
8. De minister kan indien niet wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, op advies van het openbaar lichaam een uitzondering maken in het belang van het kind.
2. Indien een kinderopvangorganisatie in afwachting is van een beslissing als bedoeld in het eerste lid en de exploitatievergunning op 1 februari 2021 niet is verleend, stopt de subsidieverlening of zoveel eerder indien het openbaar lichaam een negatief advies op het besluit heeft genomen.
3. De kinderopvangorganisatie komt alleen in aanmerking voor een kostprijs verlagende subsidie voor kinderen die zijn ingeschreven als ingezetenen bij het openbaar lichaam waar de opvang plaats vindt.
4. De kinderopvangorganisatie komt alleen in aanmerking voor een kostprijs verlagende subsidie als er sprake is van een schriftelijke overeenkomst betreffende de kinderopvang, tussen de kinderopvangorganisatie en de ouder.
5. De kinderopvangorganisatie komt alleen in aanmerking voor een kostprijs verlagende subsidie als er sprake is van een door het openbaar lichaam goedgekeurd transitieplan of indien het transitieplan uiterlijk 1 december 2021, of, indien de beschikking tot subsidieverlening is gedateerd op of na 2 augustus 2021, vier maanden na de dag waarop de subsidie is verleend, is goedgekeurd door het openbaar lichaam.
6. Het vijfde lid is niet van toepassing op kinderopvangorganisaties die op of na 1 januari 2022 kostprijs verlagende subsidie aanvragen.
7. De kinderopvangorganisatie komt alleen in aanmerking voor een kostprijs verlagende subsidie als er sprake is van kinderopvang zoals in de overeenkomst, bedoeld in het vierde lid, is vastgelegd.
8. De minister kan indien niet wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, op advies van het openbaar lichaam een uitzondering maken in het belang van het kind.
- Citeren als
- Art. 10
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0043533
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl