BWBR0043252
Geldig vanaf 2023-04-19
Artikel 3
Tijdelijke wet Groningen
1. Ten behoeve van de goede uitvoering van artikel 2, derde en vierde lid, verwerkt het Instituut de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. Het Instituut is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.
2. Ten behoeve van de goede uitwerking van artikel 2, derde en vierde lid, verwerkt Onze Minister de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.
3. Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevensbescherming is het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door het Instituut of Onze Minister voor zover deze verwerking noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering en uitwerking van artikel 2, derde, vierde en elfde lid.
4. Het Instituut en Onze Minister verstrekken elkaar desgevraagd de informatie, waaronder begrepen de persoonsgegevens, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, voor zover die noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering van artikel 2, derde, vierde en zevende lid, of van de taken en bevoegdheden die op grond van artikel 2, achtste lid, aan het Instituut zijn opgedragen.
5. Het Instituut, Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten verstrekken elkaar desgevraagd of eigener beweging de gegevens, waaronder persoonsgegevens, over de afhandeling van aanvragen om schadevergoeding en beslissingen in het kader van de uitvoering van de versterkingsoperatie die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van deze wettelijke taak.
6. Ten behoeve van de goede uitvoering van het oplossen van knelpunten die als gevolg van de schade zijn ontstaan als bedoeld in artikel 2, elfde lid, verwerkt het Instituut de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens.
7. Het Instituut informeert Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten indien het gegronde vermoedens heeft dat een gebouw niet voldoet aan de veiligheidsnorm.
8. Onze Minister informeert het Instituut indien hij gegronde vermoedens heeft dat sprake is van een acuut onveilige situatie als bedoeld in artikel 2, zevende lid.
9. Het Instituut, Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten verstrekken niet de gegevens over gezondheid behoudens voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 2, elfde lid, en de betrokkene daar uitdrukkelijk zijn instemming aan heeft gegeven.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop Onze Minister en het Instituut de uitvoering van de versterking op grond van hoofdstuk 5en de vergoeding van schade op grond van hoofdstuk 2op elkaar afstemmen. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
11. De exploitant verstrekt Onze Minister desgevraagd de gegevens, waaronder persoonsgegevens, voor zover die noodzakelijk zijn in het belang van een goede uitvoering van de versterking op grond van hoofdstuk 5.
2. Ten behoeve van de goede uitwerking van artikel 2, derde en vierde lid, verwerkt Onze Minister de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.
3. Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevensbescherming is het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door het Instituut of Onze Minister voor zover deze verwerking noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering en uitwerking van artikel 2, derde, vierde en elfde lid.
4. Het Instituut en Onze Minister verstrekken elkaar desgevraagd de informatie, waaronder begrepen de persoonsgegevens, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, voor zover die noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering van artikel 2, derde, vierde en zevende lid, of van de taken en bevoegdheden die op grond van artikel 2, achtste lid, aan het Instituut zijn opgedragen.
5. Het Instituut, Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten verstrekken elkaar desgevraagd of eigener beweging de gegevens, waaronder persoonsgegevens, over de afhandeling van aanvragen om schadevergoeding en beslissingen in het kader van de uitvoering van de versterkingsoperatie die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van deze wettelijke taak.
6. Ten behoeve van de goede uitvoering van het oplossen van knelpunten die als gevolg van de schade zijn ontstaan als bedoeld in artikel 2, elfde lid, verwerkt het Instituut de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens.
7. Het Instituut informeert Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten indien het gegronde vermoedens heeft dat een gebouw niet voldoet aan de veiligheidsnorm.
8. Onze Minister informeert het Instituut indien hij gegronde vermoedens heeft dat sprake is van een acuut onveilige situatie als bedoeld in artikel 2, zevende lid.
9. Het Instituut, Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten verstrekken niet de gegevens over gezondheid behoudens voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 2, elfde lid, en de betrokkene daar uitdrukkelijk zijn instemming aan heeft gegeven.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop Onze Minister en het Instituut de uitvoering van de versterking op grond van hoofdstuk 5en de vergoeding van schade op grond van hoofdstuk 2op elkaar afstemmen. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
11. De exploitant verstrekt Onze Minister desgevraagd de gegevens, waaronder persoonsgegevens, voor zover die noodzakelijk zijn in het belang van een goede uitvoering van de versterking op grond van hoofdstuk 5.