BWBR0043252
Geldig vanaf 2023-04-19
Artikel 13k
Tijdelijke wet Groningen
1. Indien Onze Minister door toedoen van de eigenaar niet kan vaststellen of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet of indien het Onze Minister ook na herhaalde pogingen en een uiterste inspanning niet mogelijk is met medewerking van de eigenaar het versterkingsbesluit voor te bereiden, en de belangen van de eigenaar, gebruiker of derde belanghebbenden niet worden geschaad, besluit de minister dat een gebouw niet wordt versterkt. De minister zendt een afschrift van dit besluit aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen, en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en draagt zorg voor inschrijving van dit besluit in de openbare registers, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/16" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek</a>.
2. Onze Minister kan ten behoeve van de beoordeling, bedoeld in artikel 13i, eerste lid, de uitvoering van de versterkingsmaatregelen en voor het gebruik, bedoeld in het derde lid, personen aanwijzen die bevoegd zijn met medeneming van de benodigde apparatuur en andere hulpmiddelen, een gebouw met inbegrip van een woning binnen te treden.
3. Indien voor de uitvoering van de versterkingsmaatregelen gebruik moet worden gemaakt van een onroerende zaak waarop het versterkingsbesluit geen betrekking heeft, kan Onze Minister besluiten de rechthebbende met wie daarover geen overeenstemming is bereikt, behoudens recht op schadevergoeding, de verplichting op te leggen om te gedogen dat zijn onroerende zaak wordt gebruikt voor de uitvoering van die maatregelen.
4. De eigenaar of gebruiker van een gebouw verleent aan een persoon als bedoeld in het tweede lid, binnen de door deze persoon gestelde termijn, alle medewerking die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
5. De machtiging, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0006763/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden</a>wordt gegeven door Onze Minister.
2. Onze Minister kan ten behoeve van de beoordeling, bedoeld in artikel 13i, eerste lid, de uitvoering van de versterkingsmaatregelen en voor het gebruik, bedoeld in het derde lid, personen aanwijzen die bevoegd zijn met medeneming van de benodigde apparatuur en andere hulpmiddelen, een gebouw met inbegrip van een woning binnen te treden.
3. Indien voor de uitvoering van de versterkingsmaatregelen gebruik moet worden gemaakt van een onroerende zaak waarop het versterkingsbesluit geen betrekking heeft, kan Onze Minister besluiten de rechthebbende met wie daarover geen overeenstemming is bereikt, behoudens recht op schadevergoeding, de verplichting op te leggen om te gedogen dat zijn onroerende zaak wordt gebruikt voor de uitvoering van die maatregelen.
4. De eigenaar of gebruiker van een gebouw verleent aan een persoon als bedoeld in het tweede lid, binnen de door deze persoon gestelde termijn, alle medewerking die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
5. De machtiging, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0006763/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden</a>wordt gegeven door Onze Minister.