BWBR0042249
Geldig vanaf 2022-03-15
Artikel 7
Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023
1. De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder a, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 2.293.674,– per kalenderjaar.
2. De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder b, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 3.425.485,–.
3. De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder c, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 102.236,– per kalenderjaar.
4. De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder d, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 278.518,– per kalenderjaar.
5. Voor de verstrekking van de aanvullende subsidies, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, is ten hoogste € 174.000,– beschikbaar.
6. Met ingang van het kalenderjaar 2020 worden de genoemde bedragen telkens bijgesteld met het percentage dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Minister van Financiën in het voorgaande kalenderjaar voor loonbijstelling heeft ontvangen.
2. De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder b, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 3.425.485,–.
3. De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder c, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 102.236,– per kalenderjaar.
4. De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder d, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 278.518,– per kalenderjaar.
5. Voor de verstrekking van de aanvullende subsidies, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, is ten hoogste € 174.000,– beschikbaar.
6. Met ingang van het kalenderjaar 2020 worden de genoemde bedragen telkens bijgesteld met het percentage dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Minister van Financiën in het voorgaande kalenderjaar voor loonbijstelling heeft ontvangen.