BWBR0041053
Geldig vanaf 2020-10-27
Artikel 5
Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2019–2022
1. Het investeringsbudget wordt per kalenderjaar als volgt verdeeld over de instellingen waarvan de minister op grond van artikel 8heeft geoordeeld dat de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende is:
a. twee derde deel wordt over deze instellingen verdeeld naar rato van het totaal van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB berekende rijksbijdragedelen voor die instelling;
b. een derde deel wordt over deze instellingen verdeeld naar rato van het aantal studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor een aanvulling op de bekostiging wordt verstrekt bij die instelling is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding en dat voor bekostiging in aanmerking komt.
2. Het in artikel 4, tweede lid, onder a, genoemde resultaatafhankelijk budget wordt voor het kalenderjaar 2021 verdeeld over de instellingen waarvan de minister op grond van artikel 8heeft geoordeeld dat de kwaliteitsagenda voldoende is, naar rato van het totaal van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEBberekende rijksbijdragedelen voor die instelling.
3. Het in artikel 4, tweede lid, onder b, genoemde resultaatafhankelijk budget wordt vermeerderd met het resultaatafhankelijk budget, bedoeld in artikel 4, onder a, dat voor het kalenderjaar 2021 is verdeeld over de instellingen, maar op grond van zowel de midterm review, bedoeld in artikel 10, als de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 11, niet wordt verstrekt.
4. Het resultaatafhankelijk budget wordt voor het kalenderjaar 2022 verdeeld over de instellingen waarvan de minister op grond van artikel 11heeft geoordeeld dat de resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende zijn, naar rato van het totaal van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEBberekende rijksbijdragedelen voor die instelling.
5. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
6. Bij te late indiening van de gegevens en de verklaring als bedoeld in artikel 2.2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB:
a. is ten aanzien van het eerste lid, onder a, artikel 2.2.5 van het Uitvoeringsbesluit WEB van toepassing; en
b. kan de minister ten aanzien van het eerste lid, onder b, de aanvullende bekostiging vaststellen met gebruik van het aantal studenten dat is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding op 1 oktober van het derde kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar, waarvoor een aanvulling op de bekostiging wordt verstrekt.
7. In afwijking van het eerste lid wordt het investeringsbudget voor kalenderjaar 2022 als volgt verdeeld over de instellingen waarvan de minister op grond van artikel 8heeft geoordeeld dat de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende is, waarbij:
a. de helft over deze instellingen wordt verdeeld naar rato van het totaal van de voor kalenderjaar 2022 op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB berekende rijksbijdragedelen voor die instelling;
b. de andere helft over deze instellingen wordt verdeeld naar rato van het aantal studenten dat op 1 oktober van kalenderjaar 2020 bij die instelling is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding en dat voor bekostiging in aanmerking komt.
a. twee derde deel wordt over deze instellingen verdeeld naar rato van het totaal van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB berekende rijksbijdragedelen voor die instelling;
b. een derde deel wordt over deze instellingen verdeeld naar rato van het aantal studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor een aanvulling op de bekostiging wordt verstrekt bij die instelling is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding en dat voor bekostiging in aanmerking komt.
2. Het in artikel 4, tweede lid, onder a, genoemde resultaatafhankelijk budget wordt voor het kalenderjaar 2021 verdeeld over de instellingen waarvan de minister op grond van artikel 8heeft geoordeeld dat de kwaliteitsagenda voldoende is, naar rato van het totaal van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEBberekende rijksbijdragedelen voor die instelling.
3. Het in artikel 4, tweede lid, onder b, genoemde resultaatafhankelijk budget wordt vermeerderd met het resultaatafhankelijk budget, bedoeld in artikel 4, onder a, dat voor het kalenderjaar 2021 is verdeeld over de instellingen, maar op grond van zowel de midterm review, bedoeld in artikel 10, als de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 11, niet wordt verstrekt.
4. Het resultaatafhankelijk budget wordt voor het kalenderjaar 2022 verdeeld over de instellingen waarvan de minister op grond van artikel 11heeft geoordeeld dat de resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende zijn, naar rato van het totaal van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEBberekende rijksbijdragedelen voor die instelling.
5. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
6. Bij te late indiening van de gegevens en de verklaring als bedoeld in artikel 2.2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB:
a. is ten aanzien van het eerste lid, onder a, artikel 2.2.5 van het Uitvoeringsbesluit WEB van toepassing; en
b. kan de minister ten aanzien van het eerste lid, onder b, de aanvullende bekostiging vaststellen met gebruik van het aantal studenten dat is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding op 1 oktober van het derde kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar, waarvoor een aanvulling op de bekostiging wordt verstrekt.
7. In afwijking van het eerste lid wordt het investeringsbudget voor kalenderjaar 2022 als volgt verdeeld over de instellingen waarvan de minister op grond van artikel 8heeft geoordeeld dat de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende is, waarbij:
a. de helft over deze instellingen wordt verdeeld naar rato van het totaal van de voor kalenderjaar 2022 op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB berekende rijksbijdragedelen voor die instelling;
b. de andere helft over deze instellingen wordt verdeeld naar rato van het aantal studenten dat op 1 oktober van kalenderjaar 2020 bij die instelling is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding en dat voor bekostiging in aanmerking komt.