BWBR0040909
Geldig vanaf 2018-05-19
Artikel 12
Interne klokkenluidersregeling MIVD
1. Indien de melder een melding wil doen die betrekking heeft op één of meerdere gezamenlijke teams en/of units van de MIVD en de AIVD, kan de melder zich zowel tot de MIVD als de AIVD richten.
2. Indien de melding betrekking heeft op één of meerdere gezamenlijke teams en/of units van de MIVD en AIVD, dienen de diensten elkaar onverwijld in kennis te stellen van een dergelijke melding en de datum waarop deze is ontvangen.
3. Indien de melding wordt gericht aan de MIVD bevestigt de secretaris-generaal, in overeenstemming met de secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de ontvangst van de melding schriftelijk aan de melder, al dan niet door tussenkomst van de vertrouwenspersoon of de misstandencoördinator, en informeert de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor een onderzoeksbelang of een belang van de melder onnodig of onevenredig kan worden geschaad.
4. De secretarissen-generaal van beide diensten stellen onverwijld een onderzoek in naar het vermoeden van een misstand indien de melding betrekking heeft op een gezamenlijk team en/of unit van de MIVD en AIVD.
5. Het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt, namens de secretarissen-generaal van beide diensten, verricht door een gezamenlijke commissie.
6. Indien gedurende het onderzoek blijkt dat de melding voornamelijk betrekking heeft op één van de diensten, kan, met wederzijdse instemming, besloten worden dat het onderzoek zal worden voortgezet door de dienst op wie de melding voornamelijk betrekking heeft.
7. De gezamenlijke commissie rapporteert haar bevindingen, door tussenkomst van de directeur en de directeur-generaal van de AIVD, aan het bevoegd gezag.
8. Het bevoegd gezag stelt de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon, binnen twaalf weken na de melding schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden.
9. De artikelen 10en 11zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de melding betrekking heeft op één of meerdere gezamenlijke teams en/of units van de MIVD en AIVD, dienen de diensten elkaar onverwijld in kennis te stellen van een dergelijke melding en de datum waarop deze is ontvangen.
3. Indien de melding wordt gericht aan de MIVD bevestigt de secretaris-generaal, in overeenstemming met de secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de ontvangst van de melding schriftelijk aan de melder, al dan niet door tussenkomst van de vertrouwenspersoon of de misstandencoördinator, en informeert de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor een onderzoeksbelang of een belang van de melder onnodig of onevenredig kan worden geschaad.
4. De secretarissen-generaal van beide diensten stellen onverwijld een onderzoek in naar het vermoeden van een misstand indien de melding betrekking heeft op een gezamenlijk team en/of unit van de MIVD en AIVD.
5. Het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt, namens de secretarissen-generaal van beide diensten, verricht door een gezamenlijke commissie.
6. Indien gedurende het onderzoek blijkt dat de melding voornamelijk betrekking heeft op één van de diensten, kan, met wederzijdse instemming, besloten worden dat het onderzoek zal worden voortgezet door de dienst op wie de melding voornamelijk betrekking heeft.
7. De gezamenlijke commissie rapporteert haar bevindingen, door tussenkomst van de directeur en de directeur-generaal van de AIVD, aan het bevoegd gezag.
8. Het bevoegd gezag stelt de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon, binnen twaalf weken na de melding schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden.
9. De artikelen 10en 11zijn van overeenkomstige toepassing.