BWBR0039900
Geldig vanaf 1987-03-01
Artikel 7
Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid
1. De periode dat de militair, met de rang van luitenant ter zee der 1e klasse dan wel majoor, of met een lagere rang dan wel zonder rang,:
a. consignatie als bedoeld in artikel 58a AMAR wordt opgelegd op de plaats waar de militair gewoonlijk de nacht geacht wordt door te brengen;
b. gedurende een pauze consignatie wordt opgelegd als bedoeld in artikel 56q AMAR, op een schip, in een kazerne, in het gebouw waar de militair is tewerkgesteld of een andere in dit verband door de commandant aan te wijzen plaats, niet zijnde de woning van de militair of de plaats waar de militair gewoonlijk de nacht geacht wordt door te brengen;
c. consignatie wordt opgelegd gedurende een aanwezigheidsdienst of piket als bedoeld in de artikelen 58b, 58c en 58d AMAR, op een schip, in een kazerne, in het gebouw waar de militair is tewerkgesteld of een andere in dit verband door de commandant aan te wijzen plaats, niet zijnde de woning van de militair of de plaats waar de militair gewoonlijk de nacht geacht wordt door te brengen, wordt herleid naar een vergoeding in vrije uren.
2. De herleiding, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats door toepassing van een herleiding factor.
3. De factor, bedoeld in het tweede lid, bedraagt:
a. 1/10 voor de periode van consignatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
b. 1/2 voor de periode van consignatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, voor zover het de militair niet is toegestaan te slapen;
c. 1/3 voor de periode van consignatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, voor zover het de militair gedurende de dienst de mogelijkheid wordt geboden te slapen.
4. De tijdsduur, dat de militair wordt opgedragen:
a. bereikbaarheid te zijn, bijvoorbeeld in de vorm van de zogenoemde "pieperdienst" (pieper, GSM of anderszins);
b. of zich als reserve beschikbaar te houden om in voorkomend geval werkzaamheden of diensten te verrichten ter vervanging van een collega,
zonder dat hij wordt beperkt in zijn bewegingsvrijheid naar plaats en tijd of wordt geconsigneerd als bedoeld in artikel 58a AMAR, komt niet voor herleiding in aanmerking.
5. Voor de toepassing van het derde lid wordt na herleiding naar boven afgerond op gehele uren.
6. De in het eerste lid genoemde vergoeding in vrije uren dient voor de militair binnen de meetperiode te worden verroosterd. Het door de militair meenemen van de niet verroosterde uren naar een volgende meetperiode is niet toegestaan. Vooruitlopend op het daadwerkelijk ontstaan van een aanspraak op de vergoeding in vrije uren kan de commandant toestaan dat deze uren voor afloop van de meetperiode worden verroosterd. Verroostering vindt niet plaats indien het dienstbelang dat niet toestaat.
7. Indien na afloop van de meetperiode blijkt dat de in het eerste lid verleende vergoeding in vrije uren niet is verroosterd, dan wordt deze vervangen door een vergoeding in geld overeenkomstig artikel 8, zevende lid, van deze regeling.
a. consignatie als bedoeld in artikel 58a AMAR wordt opgelegd op de plaats waar de militair gewoonlijk de nacht geacht wordt door te brengen;
b. gedurende een pauze consignatie wordt opgelegd als bedoeld in artikel 56q AMAR, op een schip, in een kazerne, in het gebouw waar de militair is tewerkgesteld of een andere in dit verband door de commandant aan te wijzen plaats, niet zijnde de woning van de militair of de plaats waar de militair gewoonlijk de nacht geacht wordt door te brengen;
c. consignatie wordt opgelegd gedurende een aanwezigheidsdienst of piket als bedoeld in de artikelen 58b, 58c en 58d AMAR, op een schip, in een kazerne, in het gebouw waar de militair is tewerkgesteld of een andere in dit verband door de commandant aan te wijzen plaats, niet zijnde de woning van de militair of de plaats waar de militair gewoonlijk de nacht geacht wordt door te brengen, wordt herleid naar een vergoeding in vrije uren.
2. De herleiding, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats door toepassing van een herleiding factor.
3. De factor, bedoeld in het tweede lid, bedraagt:
a. 1/10 voor de periode van consignatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
b. 1/2 voor de periode van consignatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, voor zover het de militair niet is toegestaan te slapen;
c. 1/3 voor de periode van consignatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, voor zover het de militair gedurende de dienst de mogelijkheid wordt geboden te slapen.
4. De tijdsduur, dat de militair wordt opgedragen:
a. bereikbaarheid te zijn, bijvoorbeeld in de vorm van de zogenoemde "pieperdienst" (pieper, GSM of anderszins);
b. of zich als reserve beschikbaar te houden om in voorkomend geval werkzaamheden of diensten te verrichten ter vervanging van een collega,
zonder dat hij wordt beperkt in zijn bewegingsvrijheid naar plaats en tijd of wordt geconsigneerd als bedoeld in artikel 58a AMAR, komt niet voor herleiding in aanmerking.
5. Voor de toepassing van het derde lid wordt na herleiding naar boven afgerond op gehele uren.
6. De in het eerste lid genoemde vergoeding in vrije uren dient voor de militair binnen de meetperiode te worden verroosterd. Het door de militair meenemen van de niet verroosterde uren naar een volgende meetperiode is niet toegestaan. Vooruitlopend op het daadwerkelijk ontstaan van een aanspraak op de vergoeding in vrije uren kan de commandant toestaan dat deze uren voor afloop van de meetperiode worden verroosterd. Verroostering vindt niet plaats indien het dienstbelang dat niet toestaat.
7. Indien na afloop van de meetperiode blijkt dat de in het eerste lid verleende vergoeding in vrije uren niet is verroosterd, dan wordt deze vervangen door een vergoeding in geld overeenkomstig artikel 8, zevende lid, van deze regeling.