BWBR0039721
Geldig vanaf 2021-12-07
Artikel 6
Subsidieregeling doorstroomprogramma’s po-vo voor gelijke kansen
1. Een doorstroomprogramma voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
a. het wordt door ten minste één school voor primair onderwijs en ten minste één school voor voortgezet onderwijs gezamenlijk vormgegeven. Per aanvraagperiode kan een school of nevenvestiging voor primair onderwijs aan maximaal één, en een school of nevenvestiging voor voortgezet onderwijs aan maximaal twee doorstroomprogramma’s deelnemen,
b. het beslaat ten minste 100 klokuren,
c. het beslaat in ieder geval de helft van het laatste leerjaar van het primair onderwijs en de helft van het eerste leerjaar van het voortgezet onderwijs van de jaren waarop de aanvraag ziet,
d. het zet in op ouderbetrokkenheid,
e. het is gericht op: 1˚. het vergroten van kennis en vaardigheden die bij de overgang naar het voortgezet onderwijs van belang zijn, en
2˚. randvoorwaarden die nodig zijn om in het voortgezet onderwijs tot leren te komen,
1˚. het vergroten van kennis en vaardigheden die bij de overgang naar het voortgezet onderwijs van belang zijn, en
2˚. randvoorwaarden die nodig zijn om in het voortgezet onderwijs tot leren te komen,
f. het bevat ten minste twee van de volgende inhoudelijke lijnen: 1°. het versterken van cognitieve vaardigheden, bijvoorbeeld gericht op het versterken van taal- en leesvaardigheden en rekenen,
2°. het versterken van metacognitieve vaardigheden, bijvoorbeeld gericht op het versterken van zelfstandig leren, effectieve werkhouding en plannen ten behoeve van de overgang naar het vo,
3°. het inzetten op omgevingsfactoren buiten de klas en de thuissituatie, bijvoorbeeld gericht op het vergroten van ouderbetrokkenheid, het vergroten of benutten van netwerken of hulpbronnen uit de omgeving, het versterken van sociale vaardigheden, het begeleiden bij de schoolkeuze en brede loopbaanoriëntatie, allemaal ten behoeve van de overgang naar het vo,
1°. het versterken van cognitieve vaardigheden, bijvoorbeeld gericht op het versterken van taal- en leesvaardigheden en rekenen,
2°. het versterken van metacognitieve vaardigheden, bijvoorbeeld gericht op het versterken van zelfstandig leren, effectieve werkhouding en plannen ten behoeve van de overgang naar het vo,
3°. het inzetten op omgevingsfactoren buiten de klas en de thuissituatie, bijvoorbeeld gericht op het vergroten van ouderbetrokkenheid, het vergroten of benutten van netwerken of hulpbronnen uit de omgeving, het versterken van sociale vaardigheden, het begeleiden bij de schoolkeuze en brede loopbaanoriëntatie, allemaal ten behoeve van de overgang naar het vo,
g. het wordt aangeboden aan één cohort leerlingen die in groep 8 van het primair onderwijs en het eerste leerjaar van het voortgezet onderwijs het doorstroomprogramma volgen.
2. Indien de omvang van een doorstroomprogramma ten gevolge van de uitbraak van het coronavirus of de maatregelen ter bestrijding van het virus in het gedrang komt, kan de minister toestaan dat de periode voor de uitvoering van het doorstroomprogramma, wordt verlengd, uiterlijk tot en met de maand januari van het tweede leerjaar van het voortgezet onderwijs.
3. Een doorstroomprogramma kan minder dan 100 klokuren beslaan, indien het tekort aan omvang van het doorstroomprogramma is toe te rekenen aan de uitbraak van het coronavirus of de maatregelen ter bestrijding ervan en indien het voor de subsidieontvanger redelijkerwijs onmogelijk is het doorstroomprogramma met toestemming van de minister gedurende een langere periode uit te voeren.
a. het wordt door ten minste één school voor primair onderwijs en ten minste één school voor voortgezet onderwijs gezamenlijk vormgegeven. Per aanvraagperiode kan een school of nevenvestiging voor primair onderwijs aan maximaal één, en een school of nevenvestiging voor voortgezet onderwijs aan maximaal twee doorstroomprogramma’s deelnemen,
b. het beslaat ten minste 100 klokuren,
c. het beslaat in ieder geval de helft van het laatste leerjaar van het primair onderwijs en de helft van het eerste leerjaar van het voortgezet onderwijs van de jaren waarop de aanvraag ziet,
d. het zet in op ouderbetrokkenheid,
e. het is gericht op: 1˚. het vergroten van kennis en vaardigheden die bij de overgang naar het voortgezet onderwijs van belang zijn, en
2˚. randvoorwaarden die nodig zijn om in het voortgezet onderwijs tot leren te komen,
1˚. het vergroten van kennis en vaardigheden die bij de overgang naar het voortgezet onderwijs van belang zijn, en
2˚. randvoorwaarden die nodig zijn om in het voortgezet onderwijs tot leren te komen,
f. het bevat ten minste twee van de volgende inhoudelijke lijnen: 1°. het versterken van cognitieve vaardigheden, bijvoorbeeld gericht op het versterken van taal- en leesvaardigheden en rekenen,
2°. het versterken van metacognitieve vaardigheden, bijvoorbeeld gericht op het versterken van zelfstandig leren, effectieve werkhouding en plannen ten behoeve van de overgang naar het vo,
3°. het inzetten op omgevingsfactoren buiten de klas en de thuissituatie, bijvoorbeeld gericht op het vergroten van ouderbetrokkenheid, het vergroten of benutten van netwerken of hulpbronnen uit de omgeving, het versterken van sociale vaardigheden, het begeleiden bij de schoolkeuze en brede loopbaanoriëntatie, allemaal ten behoeve van de overgang naar het vo,
1°. het versterken van cognitieve vaardigheden, bijvoorbeeld gericht op het versterken van taal- en leesvaardigheden en rekenen,
2°. het versterken van metacognitieve vaardigheden, bijvoorbeeld gericht op het versterken van zelfstandig leren, effectieve werkhouding en plannen ten behoeve van de overgang naar het vo,
3°. het inzetten op omgevingsfactoren buiten de klas en de thuissituatie, bijvoorbeeld gericht op het vergroten van ouderbetrokkenheid, het vergroten of benutten van netwerken of hulpbronnen uit de omgeving, het versterken van sociale vaardigheden, het begeleiden bij de schoolkeuze en brede loopbaanoriëntatie, allemaal ten behoeve van de overgang naar het vo,
g. het wordt aangeboden aan één cohort leerlingen die in groep 8 van het primair onderwijs en het eerste leerjaar van het voortgezet onderwijs het doorstroomprogramma volgen.
2. Indien de omvang van een doorstroomprogramma ten gevolge van de uitbraak van het coronavirus of de maatregelen ter bestrijding van het virus in het gedrang komt, kan de minister toestaan dat de periode voor de uitvoering van het doorstroomprogramma, wordt verlengd, uiterlijk tot en met de maand januari van het tweede leerjaar van het voortgezet onderwijs.
3. Een doorstroomprogramma kan minder dan 100 klokuren beslaan, indien het tekort aan omvang van het doorstroomprogramma is toe te rekenen aan de uitbraak van het coronavirus of de maatregelen ter bestrijding ervan en indien het voor de subsidieontvanger redelijkerwijs onmogelijk is het doorstroomprogramma met toestemming van de minister gedurende een langere periode uit te voeren.