BWBR0039721
Geldig vanaf 2021-12-07
Artikel 3
Subsidieregeling doorstroomprogramma’s po-vo voor gelijke kansen
1. De minister kan subsidie verstrekken aan de aanvrager voor de ontwikkeling en uitvoering van een doorstroomprogramma.
2. Deze subsidieregeling is één van de maatregelen uit het Actieplan gelijke kansen in het onderwijs uit 2016. Met deze maatregel wordt beoogd om gelijke kansen in het onderwijs te bevorderen en talenten van leerlingen uit de doelgroep beter te benutten.
3. Het doorstroomprogramma is gericht op het versoepelen van de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs. Deelnemers verkrijgen kennis en vaardigheden die van belang zijn bij de overgang naar het voortgezet onderwijs en binnen het voortgezet onderwijs.
4. Doelgroep van de doorstroomprogramma’s zijn (toekomstige) voortgezet onderwijs leerlingen die op een hoger niveau kunnen instromen of presteren in het voortgezet onderwijs dan ze tot nu toe laten zien, maar door omgevingsfactoren buiten de school of door de thuissituatie niet of minder vanzelfsprekend dan hun klasgenoten ondersteuning of hulpbronnen tot hun beschikking hebben die nodig zijn om dit niveau te realiseren.
5. De bij het doorstroomprogramma betrokken bevoegd gezagen bepalen of een leerling tot de doelgroep behoort.
2. Deze subsidieregeling is één van de maatregelen uit het Actieplan gelijke kansen in het onderwijs uit 2016. Met deze maatregel wordt beoogd om gelijke kansen in het onderwijs te bevorderen en talenten van leerlingen uit de doelgroep beter te benutten.
3. Het doorstroomprogramma is gericht op het versoepelen van de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs. Deelnemers verkrijgen kennis en vaardigheden die van belang zijn bij de overgang naar het voortgezet onderwijs en binnen het voortgezet onderwijs.
4. Doelgroep van de doorstroomprogramma’s zijn (toekomstige) voortgezet onderwijs leerlingen die op een hoger niveau kunnen instromen of presteren in het voortgezet onderwijs dan ze tot nu toe laten zien, maar door omgevingsfactoren buiten de school of door de thuissituatie niet of minder vanzelfsprekend dan hun klasgenoten ondersteuning of hulpbronnen tot hun beschikking hebben die nodig zijn om dit niveau te realiseren.
5. De bij het doorstroomprogramma betrokken bevoegd gezagen bepalen of een leerling tot de doelgroep behoort.