BWBR0039545
Geldig vanaf 2017-06-01
Artikel 6
Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum Het Flevolands Archief
1. Het algemeen bestuur bestaat uit zeven leden, de voorzitter, bedoeld in artikel 16, inbegrepen.
2. De Minister wijst één lid aan.
3. Gedeputeerde staten van de provincie wijzen uit hun midden één lid aan.
4. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten wijzen uit hun midden ieder één lid aan.
5. Het dagelijks bestuur van het waterschap wijst uit zijn midden één lid aan.
6. De deelnemers kunnen voor ieder door hen benoemd lid tevens één plaatsvervangend lid aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Het aanwijzen van een plaatsvervangend lid geschiedt overeenkomstig het gestelde in het tweede tot en met het vijfde lid. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.
7. Het lidmaatschap van het lid, aangewezen door de Minister, eindigt op het moment dat de termijn waarvoor het lid is benoemd, afloopt.
8. Het lidmaatschap van de leden, aangewezen door gedeputeerde staten van de provincie, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en het dagelijks bestuur van het waterschap, eindigt op het moment dat de zittingsperiode van gedeputeerde staten van de provincie, van het college van burgemeester en wethouders van een van de gemeenten of van het dagelijks bestuur van het waterschap afloopt.
9. Het lidmaatschap van de leden, aangewezen door gedeputeerde staten van de provincie, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, het dagelijks bestuur van het waterschap, eindigt tevens bij beëindiging van het lidmaatschap van die leden van gedeputeerde staten van de provincie, van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente of van het dagelijks bestuur van het waterschap.
10. Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het zevende, achtste en negende lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.
11. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wordt overeenkomstig het tweede tot en met het vijfde lid zo spoedig mogelijk een nieuw lid aangewezen.
12. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde zijn lidmaatschap ter beschikking stellen.
13. Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.
14. Een lid van het algemeen bestuur kan door de deelnemer die hem heeft aangewezen worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van de deelnemer niet meer bezit.
2. De Minister wijst één lid aan.
3. Gedeputeerde staten van de provincie wijzen uit hun midden één lid aan.
4. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten wijzen uit hun midden ieder één lid aan.
5. Het dagelijks bestuur van het waterschap wijst uit zijn midden één lid aan.
6. De deelnemers kunnen voor ieder door hen benoemd lid tevens één plaatsvervangend lid aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Het aanwijzen van een plaatsvervangend lid geschiedt overeenkomstig het gestelde in het tweede tot en met het vijfde lid. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.
7. Het lidmaatschap van het lid, aangewezen door de Minister, eindigt op het moment dat de termijn waarvoor het lid is benoemd, afloopt.
8. Het lidmaatschap van de leden, aangewezen door gedeputeerde staten van de provincie, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en het dagelijks bestuur van het waterschap, eindigt op het moment dat de zittingsperiode van gedeputeerde staten van de provincie, van het college van burgemeester en wethouders van een van de gemeenten of van het dagelijks bestuur van het waterschap afloopt.
9. Het lidmaatschap van de leden, aangewezen door gedeputeerde staten van de provincie, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, het dagelijks bestuur van het waterschap, eindigt tevens bij beëindiging van het lidmaatschap van die leden van gedeputeerde staten van de provincie, van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente of van het dagelijks bestuur van het waterschap.
10. Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het zevende, achtste en negende lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.
11. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wordt overeenkomstig het tweede tot en met het vijfde lid zo spoedig mogelijk een nieuw lid aangewezen.
12. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde zijn lidmaatschap ter beschikking stellen.
13. Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.
14. Een lid van het algemeen bestuur kan door de deelnemer die hem heeft aangewezen worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van de deelnemer niet meer bezit.