BWBR0039544
Geldig vanaf 2017-04-01
Artikel 4
Gemeenschappelijke regeling Nieuw Land Erfgoedcentrum
1. Het algemeen bestuur bestaat uit zes leden.
2. De Minister wijst één lid aan.
3. Gedeputeerde staten van de provincie wijzen uit hun midden één lid aan.
4. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en het algemeen en dagelijks bestuur van het waterschap wijzen uit hun midden gezamenlijk één lid aan.
5. Het bestuur van de stichting Nieuw Land wijst twee leden aan.
6. Het bestuur van de stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders wijst één lid aan.
7. De deelnemers kunnen voor ieder door hen benoemd lid tevens één plaatsvervangend lid aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Het aanwijzen van een plaatsvervangend lid geschiedt overeenkomstig het gestelde in de leden 2 tot en met 6. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.
8. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur van de leden, aangewezen overeenkomstig het tweede, derde, vijfde en zesde lid, eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop de zittingsperiode van gedeputeerde staten afloopt.
9. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur van het lid, aangewezen overeenkomstig het vierde lid, eindigt van rechtswege op het moment dat de zittingsperiode van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten of van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur van het waterschap afloopt.
10. Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het achtste of negende lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.
11. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wordt overeenkomstig de leden twee tot en met zes zo spoedig mogelijk een nieuw lid aangewezen.
12. Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.
13. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde zijn lidmaatschap ter beschikking stellen.
2. De Minister wijst één lid aan.
3. Gedeputeerde staten van de provincie wijzen uit hun midden één lid aan.
4. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en het algemeen en dagelijks bestuur van het waterschap wijzen uit hun midden gezamenlijk één lid aan.
5. Het bestuur van de stichting Nieuw Land wijst twee leden aan.
6. Het bestuur van de stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders wijst één lid aan.
7. De deelnemers kunnen voor ieder door hen benoemd lid tevens één plaatsvervangend lid aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Het aanwijzen van een plaatsvervangend lid geschiedt overeenkomstig het gestelde in de leden 2 tot en met 6. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.
8. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur van de leden, aangewezen overeenkomstig het tweede, derde, vijfde en zesde lid, eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop de zittingsperiode van gedeputeerde staten afloopt.
9. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur van het lid, aangewezen overeenkomstig het vierde lid, eindigt van rechtswege op het moment dat de zittingsperiode van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten of van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur van het waterschap afloopt.
10. Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het achtste of negende lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.
11. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wordt overeenkomstig de leden twee tot en met zes zo spoedig mogelijk een nieuw lid aangewezen.
12. Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.
13. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde zijn lidmaatschap ter beschikking stellen.