BWBR0038639
Geldig vanaf 2016-11-01
Artikel 32
Regeling nationaal autonoom geregelde meetinstrumenten
De meetwaardeopnemer van een massameter is voorzien van een referentiekenmerk welke een vaste positie heeft ten opzichte van een referentiepunt van het meetreservoir en met behulp waarvan:
a. de verticale afstand tussen de dipplaat en het referentiekenmerk van de onderste meetwaardeopnemer binnen 2 mm van de in de verwerkingseenheid vast ingestelde lengte kan worden bepaald en gecontroleerd;
b. de verticale afstand tussen de referentiekenmerken van de onderste meetwaardeopnemer en een eventuele tweede meetwaardeopnemer die wordt gebruikt om de vloeistofdichtheid te meten binnen 0,1% van de in de verwerkingseenheid vast ingestelde lengte kan worden bepaald en gecontroleerd.
a. de verticale afstand tussen de dipplaat en het referentiekenmerk van de onderste meetwaardeopnemer binnen 2 mm van de in de verwerkingseenheid vast ingestelde lengte kan worden bepaald en gecontroleerd;
b. de verticale afstand tussen de referentiekenmerken van de onderste meetwaardeopnemer en een eventuele tweede meetwaardeopnemer die wordt gebruikt om de vloeistofdichtheid te meten binnen 0,1% van de in de verwerkingseenheid vast ingestelde lengte kan worden bepaald en gecontroleerd.