BWBR0038498
Geldig vanaf 2016-09-18
Artikel 25
Wet scheepsuitrusting 2016
1. De vereisten en beproevingsnormen voor scheepsuitrusting die op grond van de Wet scheepsuitrustingvan toepassing waren voor de dag van inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing totdat op grond van deze wet de voor die betreffende scheepsuitrusting geldende vereisten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, in werking treden.
2. Op scheepsuitrusting die op de markt is aangeboden of is geplaatst aan boord van een Nederlands schip na 18 oktober 2000 en voor de dag van inwerkingtreding van deze wet, blijven de artikelen 3, 7 tot en met 15en 20 tot en met 26 van de Wet scheepsuitrustingalsmede artikel 1, onderdeel 4, van de Wet op de economische delictenvan toepassing, zoals die luidden op de dag voorafgaand aan die van de inwerkingtreding van deze wet.
3. Certificaten en verklaringen die voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van deze wet zijn afgegeven op basis van de Wet scheepsuitrusting, behouden hun geldigheid gedurende de in het certificaat of de verklaring opgenomen geldigheidsduur.
4. In afwijking van het derde lid, kan Onze Minister verklaren dat een of meer certificaten, of verklaringen hun geldigheid hebben verloren indien niet meer wordt voldaan aan de vereisten op basis waarvan het certificaat of de verklaring is afgegeven.
5. Bij ministeriële regeling kunnen, voor zover nodig ter uitvoering van een handeling van de Europese Commissie, aanvullende regels van overgangsrecht worden gesteld.
2. Op scheepsuitrusting die op de markt is aangeboden of is geplaatst aan boord van een Nederlands schip na 18 oktober 2000 en voor de dag van inwerkingtreding van deze wet, blijven de artikelen 3, 7 tot en met 15en 20 tot en met 26 van de Wet scheepsuitrustingalsmede artikel 1, onderdeel 4, van de Wet op de economische delictenvan toepassing, zoals die luidden op de dag voorafgaand aan die van de inwerkingtreding van deze wet.
3. Certificaten en verklaringen die voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van deze wet zijn afgegeven op basis van de Wet scheepsuitrusting, behouden hun geldigheid gedurende de in het certificaat of de verklaring opgenomen geldigheidsduur.
4. In afwijking van het derde lid, kan Onze Minister verklaren dat een of meer certificaten, of verklaringen hun geldigheid hebben verloren indien niet meer wordt voldaan aan de vereisten op basis waarvan het certificaat of de verklaring is afgegeven.
5. Bij ministeriële regeling kunnen, voor zover nodig ter uitvoering van een handeling van de Europese Commissie, aanvullende regels van overgangsrecht worden gesteld.