BWBR0038498
Geldig vanaf 2016-09-18
Artikel 23
Wet scheepsuitrusting 2016
1. Onze Minister kan aan degene die handelt in strijd met de in artikel 22gestelde verboden een bestuurlijke boete opleggen, met uitzondering van het verbod gesteld in het vijfde lid, onderdeel d.
2. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 22, eerste lid en vijfde lid, onderdeel a, ten hoogste kan worden opgelegd komt overeen met de boete van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
3. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 22, tweede tot en met vierde lid en vijfde lid, onderdeel b, kan worden opgelegd komt overeen met de boete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht.
4. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 22, vijfde lid, onderdeel c, kan worden opgelegd komt overeen met de boete van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
5. De op te leggen bestuurlijke boete kan met ten hoogste 50 procent worden verhoogd, indien binnen een periode van 48 maanden tweemaal voor een zelfde feit, elk afzonderlijk in een periode van ten hoogste 24 maanden voorafgaand aan dat feit, een boete is opgelegd en onherroepelijk is geworden.
2. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 22, eerste lid en vijfde lid, onderdeel a, ten hoogste kan worden opgelegd komt overeen met de boete van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
3. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 22, tweede tot en met vierde lid en vijfde lid, onderdeel b, kan worden opgelegd komt overeen met de boete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht.
4. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 22, vijfde lid, onderdeel c, kan worden opgelegd komt overeen met de boete van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
5. De op te leggen bestuurlijke boete kan met ten hoogste 50 procent worden verhoogd, indien binnen een periode van 48 maanden tweemaal voor een zelfde feit, elk afzonderlijk in een periode van ten hoogste 24 maanden voorafgaand aan dat feit, een boete is opgelegd en onherroepelijk is geworden.