BWBR0037517
Geldig vanaf 2016-03-15
Artikel 9
Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15
1. Het toltarief en, indien paragraaf 2.2.1van toepassing is, de aanmaningsvergoeding, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:113" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:113, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>kunnen al dan niet gedeeltelijk worden kwijtgescholden als degene die op grond van artikel 7, eerste lid, het toltarief verschuldigd lijkt te zijn:
a. aannemelijk maakt dat tegen zijn wil door een ander van het motorrijtuig gebruik is gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen;
b. een vrijwaringsbewijs als bedoeld in artikel 1 van het Kentekenreglement of een verklaring als bedoeld in de artikelen 31 tot en met 33 van het Kentekenreglement overlegt waaruit blijkt dat hij ten tijde van het passeren van het wegvak als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, geen eigenaar of houder meer was van het betrokken motorrijtuig; of
c. aannemelijk maakt dat het voertuig ten tijde van de registratie het wegvak als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, niet heeft gepasseerd, sprake is van een onjuiste hoogte van het toltarief als gevolg van de differentiatie als bedoeld in artikel 5, derde lid, of het om een andere reden evident is dat de aanmaning onterecht is verzonden.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is de bestuurder onderscheidenlijk degene aan wie het motorrijtuig werd overgedragen het toltarief verschuldigd. Paragraaf 2.2en Hoofdstuk 3zijn van overeenkomstige toepassing.
a. aannemelijk maakt dat tegen zijn wil door een ander van het motorrijtuig gebruik is gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen;
b. een vrijwaringsbewijs als bedoeld in artikel 1 van het Kentekenreglement of een verklaring als bedoeld in de artikelen 31 tot en met 33 van het Kentekenreglement overlegt waaruit blijkt dat hij ten tijde van het passeren van het wegvak als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, geen eigenaar of houder meer was van het betrokken motorrijtuig; of
c. aannemelijk maakt dat het voertuig ten tijde van de registratie het wegvak als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, niet heeft gepasseerd, sprake is van een onjuiste hoogte van het toltarief als gevolg van de differentiatie als bedoeld in artikel 5, derde lid, of het om een andere reden evident is dat de aanmaning onterecht is verzonden.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is de bestuurder onderscheidenlijk degene aan wie het motorrijtuig werd overgedragen het toltarief verschuldigd. Paragraaf 2.2en Hoofdstuk 3zijn van overeenkomstige toepassing.