BWBR0037406
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 3
Tijdelijke regeling onafhankelijke toetsing bijzondere bevoegdheden Wiv 2002 jegens advocaten en journalisten
1. Indien de betrokken minister of namens hem het hoofd van een dienst voornemens is toestemming te verlenen voor de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid als bedoeld in artikel 2, vraagt de minister de commissie ter zake vooraf om advies.
2. Ten behoeve van haar advies toetst de commissie het verzoek aan het bepaalde bij en krachtens de wet. Zij brengt zo spoedig mogelijk advies uit.
3. Ingeval de commissie negatief adviseert verleent de betrokken minister of namens hem het hoofd van een dienst geen toestemming voor de uitoefening van de desbetreffende bijzondere bevoegdheid.
4. Indien onverwijlde spoed toepassing van het eerste lid niet toelaat, legt de betrokken minister nadat hij of namens hem het hoofd van een dienst toestemming heeft verleend, deze beslissing onverwijld voor aan de commissie. Als de commissie negatief adviseert trekt de betrokken minister of namens hem het hoofd van een dienst de reeds verleende toestemming in, beëindigt de dienst direct de uitoefening van de bijzondere bevoegdheid en worden daarmee verkregen gegevens terstond vernietigd.
5. Van een negatief advies als bedoeld in het eerste en vierde lid doet de betrokken minister mededeling aan de commissie van toezicht.
6. Onverminderd het vierde lid geldt een verleende toestemming voor ten hoogste vier weken en kan telkens op een daartoe strekkend verzoek worden verlengd voor eenzelfde periode.
2. Ten behoeve van haar advies toetst de commissie het verzoek aan het bepaalde bij en krachtens de wet. Zij brengt zo spoedig mogelijk advies uit.
3. Ingeval de commissie negatief adviseert verleent de betrokken minister of namens hem het hoofd van een dienst geen toestemming voor de uitoefening van de desbetreffende bijzondere bevoegdheid.
4. Indien onverwijlde spoed toepassing van het eerste lid niet toelaat, legt de betrokken minister nadat hij of namens hem het hoofd van een dienst toestemming heeft verleend, deze beslissing onverwijld voor aan de commissie. Als de commissie negatief adviseert trekt de betrokken minister of namens hem het hoofd van een dienst de reeds verleende toestemming in, beëindigt de dienst direct de uitoefening van de bijzondere bevoegdheid en worden daarmee verkregen gegevens terstond vernietigd.
5. Van een negatief advies als bedoeld in het eerste en vierde lid doet de betrokken minister mededeling aan de commissie van toezicht.
6. Onverminderd het vierde lid geldt een verleende toestemming voor ten hoogste vier weken en kan telkens op een daartoe strekkend verzoek worden verlengd voor eenzelfde periode.