BWBR0037406
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 10
Tijdelijke regeling onafhankelijke toetsing bijzondere bevoegdheden Wiv 2002 jegens advocaten en journalisten
1. De commissie bestaat uit een lid en een plaatsvervangend lid.
2. Als lid van de commissie wordt benoemd de voorzitter van de commissie van toezicht.
3. Het plaatsvervangend lid wordt bij ministerieel besluit van de betrokken ministers gezamenlijk benoemd.
4. Aan de leden dient door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekbetrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht te zijn verleend, dan wel dienen de leden aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren te hebben verkregen.
5. De artikelen 65, zesde tot en met achtste lid, 66, aanhef en onder a tot en met f, en 67 van de wetzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 66 voor «koninklijk besluit, op voordracht van Onze Ministers gezamenlijk» wordt gelezen: ministerieel besluit van de betrokken ministers gezamenlijk.
6. De functies van lid en plaatsvervangend lid worden aangewezen als vertrouwensfuncties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wet veiligheidsonderzoeken.
2. Als lid van de commissie wordt benoemd de voorzitter van de commissie van toezicht.
3. Het plaatsvervangend lid wordt bij ministerieel besluit van de betrokken ministers gezamenlijk benoemd.
4. Aan de leden dient door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekbetrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht te zijn verleend, dan wel dienen de leden aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren te hebben verkregen.
5. De artikelen 65, zesde tot en met achtste lid, 66, aanhef en onder a tot en met f, en 67 van de wetzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 66 voor «koninklijk besluit, op voordracht van Onze Ministers gezamenlijk» wordt gelezen: ministerieel besluit van de betrokken ministers gezamenlijk.
6. De functies van lid en plaatsvervangend lid worden aangewezen als vertrouwensfuncties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wet veiligheidsonderzoeken.